Opmars van de captive

Er hangt een waas van mystiek rondom captive-verzekeringsmaatschappijen. Toch is het geen nieuw fenomeen. Hun aantal neemt jaar na jaar toe. Wat zijn de gevolgen voor verzekeraars en tussenpersonen?

Het basiskenmerk van de captive is betrekkelijk eenvoudig: een bedrijf verzekert zich bij een eigen dochter in plaats van een professionele verzekeraar. Niets geheimzinnigs aan. “Toch hangt er een waas van mystiek rondom captives”, zegt H.M. Groot, directeur van makelaarsconcern Alexander & Alexander (voorheen Bekouw Mendes). Op zich is die mystiek verklaarbaar: “Het lijkt een onbegrijpelijke vicieuze cirkel dat een onderneming een eigen verzekeringsmaatschappij opricht om haar risico’s te verzekeren.”

Maar bij nader inzien is dit niet zo gek of geheimzinnig. De gedachte achter een captive is: als een bedrijf zijn eigen risico’s kent, kan het zich daar beter tegen indekken. Het kan diverse preventieve maatregelen nemen en zichzelf verzekeren: premies aan een eigen dochter afdragen, die in ruil daarvoor eventuele schade vergoedt. Je zou je zelfs kunnen voorstellen dat die dochter ook verzekeringen op zich neemt van andere bedrijven dan de eigen moeder. Dat gebeurt ook in de praktijk, al is dit tamelijk riskant. Groot: “Captives zijn failliet gegaan doordat ze risico’s van derden gingen accepteren die ze niet kenden. Dat is ook sterk of te raden. Wat meer voorkomt, is dat een bedrijf met andere bedrijven een groepscaptive vormt. Dat kan goed gaan, zolang de bedrijven elkaar goed kennen en de risico’s waartegen zij zich willen verzekeren gelijksoortig zijn.”

De meest voorkomende verschijningsvorm is de captive die uitsluitend fungeert als risicodrager voor de moedermaatschappij, en niet als verzekeraar voor andere bedrijven. Niet voor elk bedrijf is her aantrekkelijk een eigen risicodrager te hebben. Alleen grotere bedrijven komen daarvoor in aanmerking. De kritieke grens ligt in de regel bij een premievolume van minimaal 1 tot 1,5 miljoen gulden. Dit is althans de grens die vaak gehanteerd wordt voor een ‘single parent, single line captive’, zegt R.J.W. van der Wal, vice-voorzitter van de directie makelaardij van Rollins Hudig Hall (voorheen Hudig-Langeveldt Groep).

Cruciaal

In Nederland hebben multinationals, zoals Akzo en Unilever (Palma) een eigen verzekeringsmaatschappij. Captives van dit soort internationale bedrijven hebben voldoende premie-inkomsten om zelfstandig te kunnen bestaan en hebben voldoende financiële draagkracht. Ook hebben zulke grote bedrijven een flinke spreiding in de verzekeringsrisico’s. En dat laatste is cruciaal. Groot: “Als een individu zich bij zichzelf verzekert tegen het risico dat hij zijn auto total loss rijdt, moet hij het hele bedrag voor een nieuwe auto opzij leggen. Als hij duizend auto’s heeft, hoeft hij echter niet het duizendvoudige af te dragen. Zijn risico is namelijk gespreid. Daardoor kan hij aan zichzelf een premie afdragen die wedijvert met die van een professionele verzekeraar.”

Daarmee is meteen een eerste mogelijke voordeel van een captive aangestipt: het premiebedrag kan lager liggen dan de premie die een commerciële verzekeraar vraagt. Die premie is mede bedoeld om de bedrijfskosten te dekken van de verzekeraar – en een efficiënt geleide captive zal doorgaans minder kosten in rekening brengen dan een commerciële maatschappij. De premie die de captive vraagt, kan lager uitvallen als de moedermaatschappij minder risico loopt op schade dan het gemiddelde van soortgelijke risico’s (de schadestatistiek). Dat kan her geval zijn, indien preventieve voorzieningen zijn getroffen, zoals een sprinkler-beveiligingssysteem.

Desondanks zijn professionele verzekeraars in dat geval niet altijd bereid de premie voldoende naar benden bij te stellen. Als het bedrijf risico’s onderbrengt in een eigen captive, kan het óf zichzelf de lagere premie toebedelen waar het recht op meent te hebben, of de ‘underwriting profit’ in eigen zak houden.

Plezierig aan een captive is, dat de afgedragen premies het concern niet werkelijk verlaten. Een captive is en blijft onderdeel van het eigen bedrijf. Interest en opbrengsten uit investeringen komen ten goede van het concern. Daarbij is het concern niet helemaal vrij in zijn doen en laten met de afgedragen premies. De captive is een zelfstandig bedrijf, en de activiteiten moeten navenant zijn. De captive moet een zelfstandig beleggingsbeleid kunnen voeren. De inkomsten uit beleggingen vormen een belangrijke inkomstenbron voor een captive. De inkomsten kunnen globaal worden onderscheiden in directe resultaten (ontvangen rente, huur en dividend) en indirecte resultaten (o.m. waardemutaties in de geld- en kapitaalmarkt). In tegenstelling tot bij de commerciële verzekeraar werken de beleggingsopbrengsten van een captive direct door op het rendement van het eigen vermogen.

Lage kosten en lage premies zijn verreweg de belangrijkste voordelen die een captive een ondernemer kan bieden. Een ander voordeel is, dat een bedrijf zich bij een captive kan indekken tegen risico’s die een externe verzekeringsmaatschappij niet of alleen onder strenge voorwaarden wil accepteren. Een captive kan aantrekkelijk zijn als bijvoorbeeld een bepaald risico voor een verzekeraar onacceptabel hoog is – denk aan de kans op een milieuramp met een olietanker – of als de verzekeraar de risico’s niet kent die aan nieuwe producten zijn verbonden.

Een rechtstreekse toegang tot de herverzekeringsmarkt is een laatste voordeel dat een captive met zich kan brengen. De herverzekeringsmarkt is dikwijls aantrekkelijker voor een bedrijf dan de directe verzekeringsmarkt, onder meer door het karakter van de calamiteitsdekkingen en de lage overhead. Een herverzekeraar doet evenwel alleen zaken met een verzekeraar. Een captive is zo’n verzekeringsmaatschappij, het moederbedrijf niet.

Isolement

Tegenover de mogelijke voordelen van captives staan ook nadelen. Er bestaat gevaar, dat een bedrijf het contact verliest met de professionele verzekeringsmarkt. Goed contact is van belang, zeker indien het bedrijf bij commerciële verzekeraars risico’s wil onderbrengen die niet door de captive worden verzekerd. En dan zijn er de kosten die de captive met zich brengt. Een captive kán efficiënt werken, maar doet dat niet altijd. Groot: “Zo’n captive moet je wel laten managen op een verzekeringstechnisch verantwoorde manier. Dat kan een bedrijf meestal met zelf, dus moet de bederijfsvoering worden uitbesteed aan gespecialiseerde managers. En dat kost geld.”

Niet alle soorten verzekeringen worden ondergebracht in een captive. Van der Wal: “Niet elke branche heeft voldoende premievolume en een grote spreiding van risico’s. Het brandrisico komt doorgaans als eerste in aanmerking om te worden verzekerd via een captive. Ook het transportrisico kan geschikt zijn. Aansprakelijkheidrisico’s zijn veel lastiger, onder meer door de complexe schadebehandeling.”

Sinds het ontstaan van het fenomeen, is het aantal captives over de hele wereld fors toegenomen, met name in de laatste vijf jaar.

Vorig jaar waren er over de hele wereld zo’n 3.000 captives gevestigd. De grootste concentraties zijn te vinden op zogeheten ‘captive-domicilies’, ontstaan op locaties als Bermuda, Barbados, Curacao en, dichter bij huis: Guernsey, Dublin, Isle of Man, en Luxemburg.

Alleen al het eiland Bermuda telde vorig jaar een kleine 1.400 captives; in 1992 werden daar 59 nieuwe captives opgericht door bedrijven die hoofdzakelijk in de off shore-industric werkzaam zijn. Circa 15 tot 20 procent van de captives op Bermuda zijn ‘dochters’ van Europese bedrijven, met name gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De meerderheid van de captives heeft een Amerikaanse moedermaatschappij. Het bruto premie-inkomen dat binnenkomt in Bermuda beliep in 1991 ruim 26 miljard gulden.

Er kunnen verschillende redenen zijn om uit te wijken naar captive-domicilies. Voor Nederlandse bedrijven kan een reden zijn, dat de captive niet voldoet aan de solvabiliteitseisen van de Verzekeringskamer. Fiscale redenen spelen eveneens mogelijk een rol. Als de captive winst maakt, dan liever in een land met een gunstiger belastingklimaat dan dat van Nederland, zo zal menig bedrijf redeneren. Daarin moet het bedrijf voorzichtig zijn, want de fiscus ziet erop toe dat de aan de captive afgedragen premie realistisch is. Ten slotte kan een bedrijf kiezen voor een captive-domicilie vanwege de infrastructuur, aldus Groot. “Denk aan de managementkwaliteiten die daar voorhanden zijn, de gespecialiseerde advocaten en dat soort jongens.”

Schokeffect

De omstandigheden om een captive op te zetten zijn momenteel gunstig. Groot: “In de eerste plaats gaan de premies van de reguliere verzekeraars omhoog. Daarmee wordt het interessanter om verzekeringsactiviteiten gedeeltelijk in eigen beheer te verrichten. In de tweede plaats zijn captives aantrekkelijk omdat de verzekeringscapaciteit afneemt. Een aantal verzekeraars sluit de deuren als gevolg van grote verliezen. Dit draagt bij tot verdere stijging van de premies. Ook leidt het tot een selectiever acceptatiebeleid bij herverzekeraars. Liever dan deelnemen in de anonieme grote portefeuille van verzekeraars, geven herverzekeraars er de voorkeur aan rechtstreeks zaken te doen met de verzekerde, dat wil zeggen met zijn captive.”

Bij professionele verzekeraars en assurantietussenpersonen heeft de opkomst van de captives aanvankelijk een schokeffect teweeggebracht. Verzekeraars reageerden op captives als op een concurrent die goede risico’s wegrooft. De laatste vijf jaar proberen ze echter goeie maatjes met de captives te zijn. Zij werpen zich steeds vaker op als beschermer en begeleider van de captive. Verzekeraars bieden bijvoorbeeld technische inspecties aan. Of ze adviseren het bedrijf welk gedeelte van de te verzekeren risico’s in de captive kunnen worden ondergebracht en welk gedeelte bij de verzekeraar. Andere ondersteunende diensten zijn ook mogelijk. Rollins Hudig Hall informeert zijn cliënten op verzoek over de premies die door de markt worden gevraagd. Niet omdat de klant overweegt de captive op te heffen en zijn risico’s in de commerciële markt te verzekeren, maar vanwege de fiscus. Mocht die twijfelen of de captive een te hoge premie in rekening brengt, kan de klant altijd refereren aan de premie uit de offerte.

Makelaars in assurantiën, zoals Alexander & Alexander en Rollins Hudig Hall, zagen – eerder dan verzekeraars – in de opkomst van captives commerciële mogelijkheden. Zij zijn ook de meest aangewezen partij, zegt Van der Wal. “De makelaar staat tussen de partijen in. Hij kan dus een meer objectieve benadering geven.” Zo de assurantiemakelaar al partijdig is, dan staat hij aan de kan van de verzekerde en niet van de verzekeraar, zeggen Van der Wal en Groot. Groot: “De makelaar beschouwt zich van huis uit als adviseur van zijn klanten. Hij doet wat in het belang is van zijn klant. Toen de makelaars zagen dat er behoefte ontstond aan managementdiensten, gingen ze die op grote schaal aanbieden. Zo hebben makelaars meegeholpen aan de ontwikkeling van captives.”

Deel:

Geef een antwoord