Hayatira – 4e nacht: de horlogemaker (Een Sci-Fai sprookje)

Ze wilden een horloge dat langzamer liep als de uren zwaar waren. En sneller als ze licht waren.
Tariq wist dat het niet kon. Er bestond geen mechanisme dat de emotionele lading van een uur kon meten.
Hij sloopte alle twintig klokken van zijn muur en begon.
Een sciencefictionverhaal geïnspireerd op de 1001 Nacht.
De vierde nacht was Shara er weer eerder dan Zaran. Ze zat al klaar toen hij door een bewaker naar binnen werd geleid. Door het matglas kon ze de schimmen van Zaran en zijn bewaker zien: hoe Zaran op de schouder van de bewaker leunde, dat de bewaker hem moest helpen om plaats te nemen in de stoel tegenover Shara en hem pas losliet toen Zaran gebaarde dat hij op eigen kracht kon blijven zitten. Ze hoorde hoe zijn onregelmatige ademhaling langzaam tot rust kwam voordat Zaran eindelijk het woord kon nemen.
“Vannacht”, zei Zaran, “heb ik een verhaal over een man die voor iedereen de tijd bewaarde, behalve voor zichzelf.”
Hij liet een korte stilte vallen, ademde weer eens diep in en begon.
—
Op de muur achter de werkbank in de horlogemakerij van Tariq Suleiman hingen twintig klokken, met behuizingen die hij had gemaakt van goud en andere edelmetalen, brons, ivoor, tropisch hardhout en andere materialen die zo kostbaar waren dat de bewoners van de Binnenring regelmatig zijn winkel bezochten om zich te vergapen aan al dat moois, maar nooit ook maar één van die klokken konden aanschaffen. Tariq zag er elke dag voordat hij aan het werk ging op toe dat de klokken allemaal precies gelijkliepen. Alleen hij zag minimale afwijkingen in de tijdstippen die de klokken weergaven, en als ze zich voordeden, werkten ze hem op zijn zenuwen. Die dagelijkse correctieronde bracht hem dan rust, waarna hij geconcentreerd aan het werk kon. Zoals vandaag.
Hij had een loupe voor zijn rechteroog geschoven en boog zich over een uurwerk van veertig jaar oud. De eigenaar had gezegd dat het horloge niet meer liep. Tariq had het opengemaakt en gezien waarom: een haartje stof, niet groter dan een wimper, dat zich had gewikkeld om de balansas. Hij had het weggehaald met een pincet dat zo dun als een naald was. Het horloge liep weer. Dat was zijn werk. Vinden wat anderen niet zagen. Wegnemen wat er niet zou mogen zitten. Terugzetten wat was vastgelopen. Zorgen dat niets de tijd in de weg stond.
Hij was nog niet klaar of een vrouw kwam de winkel binnen, met achter zich een meisje. Haar dochter dacht Tariq. In elk geval hadden ze allebei eenzelfde jas van donkerblauw wol. Hoe oud zou de vrouw zijn?, vroeg Tariq zich af. Hoe ouder hij werd, hoe moeilijker hij het vond om iemands leeftijd te schatten. Toen hij vijf was, was iedereen van twintig jaar of ouder stokoud. Toen hij twintig was, kon hij in één oogopslag iemands leeftijd bepalen. Nu kon hij niet meer zien of iemand twintig, dertig of veertig was. En, nog vreemder, mensen van zijn leeftijd die hij zijn hele leven had gekend leken nauwelijks ouder te worden. Ook het meisje had iets leeftijdsloos. Ze was even groot als Amira was geweest toen die een jaar of acht was. Ook haar ernstige blik deed hem aan Amira denken. Maar ze was veel lichter gebouwd dan zijn dochter was geweest. En het leek wel of ze een gezichtsmasker had, zo bleek was haar gelaat. Haar korte, donkere haar maakte haar nog ouwelijker.
“Ik wil een nieuw horloge laten maken”, zei de vrouw. “Voor Nour.” Ze gebaarde naar haar dochter, die inmiddels de klokken aan de wand van Tariqs winkeltje aandachtig bestudeerde.
Tariq schoof de loupe van zijn oog. “Dat kan, maar wilt u niet liever een bestaand horloge?” Hij wees naar de etalage, die volstond met horloges en andere uurwerken.
“Nee, het is een bijzonder horloge”, zei de vrouw. “Een horloge dat nog niet bestaat.” Ze zette haar tas op de toonbank. “Mijn dochter is een jaar ziek geweest. Maar het jaar is niet gelijkmatig verlopen. Er waren weken die een dag duurden. Er waren dagen die een maand duurden. En nog altijd is haar tijdsbesef anders dan dat van de meeste mensen. Ze ervaart de tijd als…. gewicht. Wij willen daarom een horloge dat langzamer loopt als de uren zwaar zijn”, zei de vrouw.
“En sneller als ze licht zijn”, zei Nour, die inmiddels naast haar moeder had plaatsgenomen.
“Dat wordt moeilijk.”
“U draagt zelf niet eens een horloge”, merkte Nour op. Ze had gelijk. Hij had gedacht: als ik de tijd niet bijhoud, gaat de tijd misschien sneller. Hij was op dit idee gekomen toen hij had gehoord dat gevangenen in de isoleercel gaandeweg elk besef van tijd verliezen. In het begin kruipen de uren en dagen voorbij, maar binnen enkele weken treedt een versnelling op. En voor ze het goed en wel in de gaten hebben, zit hun verblijf in de cel erop. Zo had hij het ook gewild.
“Nee”, zei Tariq. “Maar de klokken hangen er, dus ik heb geen horloge nodig.” Hij zuchtte: “Het heeft geen zin.”
“Kunt u het niet eens proberen?”, vroeg de vrouw.
“Het heeft echt geen zin”, herhaalde Tariq. Hij wist dat het niet kon. Er bestond geen mechanisme dat de emotionele lading van een uur kon meten. Geen veer, geen anker, geen balansschroef. We delen de tijd in gelijke eenheden op, niet omdat de tijd gelijkmatig verloopt maar omdat dat de enige manier is om de tijd te meten. Als je de tijd niet wilt meten, dan moet je geen horloge dragen.
“Misschien bedenkt u zich nog”, zei de vrouw, en ze gaf hem een briefje waarop een telefoonnummer stond en daaronder: ‘Rima. Voor als u de tijd heeft.’
Die nacht sliep hij slecht. Hij lag wakker en dacht aan Nour. Haar lichaam had de tijd bijgehouden – de pijn, de vermoeidheid en alle zorgen geregistreerd. Maar de klok had gewoon doorgetikt alsof er niets bijzonders aan de hand was. Als ze een gewoon horloge zou dragen, dan zou elke sprong van de secondewijzer haar eraan herinneren dat haar ervaring onjuist was. En zou ze 60 keer per minuut, 3.600 keer per uur en 86.400 keer per dag worden vernederd.
Hij herinnerde zich hoe de tijd soms juist veel sneller voorbij was gegaan dan hij had kunnen bijhouden (de tijd die Amira nodig had gehad om zich van baby tot kleuter en daarna van kleuter tot kind te ontwikkelen leek achteraf niet meer dan een paar uur te hebben geduurd). En soms leek de tijd wel helemaal te hebben stilgestaan en zich oneindig te hebben uitgestrekt, zoals toen Amira voorgoed was vertrokken. Hij begreep precies wat Nour had doorstaan.
Hij kon ook alleen sympathie hebben voor haar wens om die bedrieglijke schijnnauwkeurigheid van de kloktijd te doorbreken. Misschien moest hij toch proberen een horloge voor haar te maken, zodat ze over haar eigen tijdindeling zou kunnen beschikken. En, wie weet, volgens haar eigen ritme zou kunnen leven. Haar eigen tijd indelen. Niet de tijd ontwijken en proberen te vergeten, zoals hij nu al jaren deed door geen horloge te dragen. Maar juist de tijd de baas worden. Een sprong in het duister nemen, zich overgeven aan een leven dat niet door de tijd zoals wij die kennen werd ingekaderd maar daar bovenuit wist te stijgen.
Zo schoten de gedachten tijdens zijn woelige nacht door zijn hoofd heen en weer. De volgende dag probeerde hij ze te ordenen. “Wie weet”, dacht hij, “misschien brengt me dat op het spoor hoe ik zo’n horloge voor Nour zou kunnen maken.” Maar zo helder als die gedachten ’s nachts nog hadden geleken, zo duister kwamen ze hem overdag voor. Misschien moest hij gewoon proberen het horloge ’s nachts in elkaar te zetten, zonder er al te veel over na te denken? Hij besloot het erop te wagen, en zijn eigen, kleine sprong in het duister te nemen.
Die avond ging hij aan de slag, zonder dat hij een vastomlijnd plan had. Hij wist alleen zeker dat als het horloge de tijd moest aangeven zoals Nour die ervoer, het zou moeten reageren op haar bewegingen, haar lichaamstemperatuur, de vochtigheidsgraad van haar huid, de trillingen van de haartjes op haar pols, het ritme van het bloed dat haar hart door haar aderen pompte – kortom, op haar lichamelijke gesteldheid. Hij moest daarom geleidend materiaal gebruiken. Zijn keuze viel al snel op goud, dat niet alleen goed geleidde, maar dat zich bovendien aanpaste aan de temperatuur van het lichaam. Hij demonteerde de mooiste van de klokken uit zijn winkel en legde het bladgoud dat de behuizing had bekleed apart. Van een andere klok trok hij het ivoor af (vanwege hun vermogen om met hun goede geheugen de tijd te vangen). En zo sloopte hij alle twintig klokken die aan de muur hadden gehangen.
En van elke klok legde hij enkele onderdelen apart, die hij in stukken hakte of omsmolt of uit elkaar trok en gebruikte die om het horloge van Nour te maken. Hij nam er de tijd voor. Dat was een uitdrukking die hij altijd vreemd had gevonden. De tijd nemen. Alsof de tijd iets was wat je kon grijpen. Maar nu begreep hij iets van wat ermee werd bedoeld: als hij langzamer werkte dan zag hij meer, en als hij meer zag, kon hij met grotere nauwkeurigheid werken. Zonder erbij na te denken: het was alsof zijn handen wisten wat ze deden. Ze trokken de spiraal in het horloge uit en brachten een kromming aan. Ze verbogen een tandrad. Ze zorgden ervoor dat de horlogekast licht poreus en kneedbaar werd, en kon meebewegen met de gebaren van de drager van het horloge. En zo werkte hij verder aan het horloge, totdat er iets lag waarmee hij bij Nour voor de dag kon komen: een horloge dat nu eens vooruitliep, dan weer achteruit, met wijzers die nu eens vloeiende bewegingen maakten, dan weer schokkerig van het ene cijfer naar het andere schoten of een tijdje heen en weer bewogen of pas op de plaats maakten.
Of het was wat Nour had gewild? Er was maar één manier om erachter te komen of zijn sprong in het duister was geslaagd. Hij belde Rima, en even later stonden Rima en Nour in zijn winkel.
“Waar zijn de klokken?”, vroeg Nour.
“Die zitten nu allemaal hierin”, zei Tariq en hij gaf haar het horloge.
Het horloge gleed over haar pols, en ze hoefde maar even te kijken of ze wist: “Het klopt precies.”
—
Zaran stopte. Toen de stilte zo lang aanhield dat Shara hieruit opmaakte dat het verhaal was afgelopen, zei ze: “En toen heeft hij zeker voor zichzelf ook zo’n horloge gemaakt?”
“Dat zou mooi zijn”, zei Zaran. “Maar misschien was het voor hem te laat om grip te krijgen op zijn eigen tijd.”
“En ik verwachtte dat hij weer de liefde zou vinden. Met die vrouw, Rima. En dat ze samen voor Nour zouden zorgen. Hij had geen vrouw en geen dochter meer, dus het had gekund.”
“Het had gekund, maar soms ontglipt de liefde ons ook al ligt ie binnen bereik. Soms laten we het moment dat de liefde klaar voor ons is passeren.”
“Wat denk jij?”
“Hij heeft in elk geval iets goed gedaan door een horloge voor een ander te maken. Ik vond dit een vrolijk verhaal.”
“Het kan veel somberder. Kom morgen maar weer langs, als je wilt.”
“Als je er nog kracht voor hebt? Ik maak me af en toe zorgen over je.”
“Als ik er niet ben om het verhaal te vertellen, ben ik er niet en is het verhaal er niet. Als ik er ben om het verhaal te vertellen en er daarna niet meer ben, is het verhaal er in elk geval. Dus ik moet mijn best doen om te komen opdagen.”
“Dan kom ik zeker.”











