Hayatira – 5e nacht: de man die zichzelf verloor (Een Sci-Fai sprookje)

Hayatira – 5e nacht: de man die zichzelf verloor (Een Sci-Fai sprookje)


Karim hield van Lena. Dat was zo, zo was het altijd geweest, zo zou het altijd blijven.
Hij waste af. Zij zat op de bank. De lamp bescheen haar. Ze glimlachte om iets op haar tablet.
Hij voelde de kriebels in zijn maag.
En toen zei ze één woord: Hamid.

Een sciencefictionverhaal geïnspireerd op de 1001 Nacht.

De vijfde avond verscheen Zaran later dan anders. Shara hoorde hem al uit de verte aan komen sloffen. Door het matglas kon ze zien hoe de bewaker die hem begeleidde hem bij de arm vasthield en pas weer losliet toen Zaran hijgend plaats had genomen in de stoel tegenover haar.

Zijn raspende, onregelmatige ademhaling klonk als een motor die maar niet wilde aanslaan. Maar na enkele minuten kon Zaran toch beginnen. “Dit verhaal gaat over een man die zichzelf verloor”, zei hij. “En daardoor niet alleen zichzelf.”

Karim kookte elke dag. Niet bijzonder goed; hij maakte geen ingewikkelde gerechten, hij gebruikte geen bijzondere kruiden en hij volgde de recepten die hij had verzameld zo trouw dat zijn eigen signatuur volledig ontbrak. Maar het vlees was nooit aangebrand, de groenten waren nooit te gaar en de saus was altijd goed gebonden. Lena vond het lekker. Elke dag weer.

Na het eten zat Lena dan op de bank met haar tablet, om haar werk voor de volgende dag voor te bereiden. Karim waste ondertussen af. Vanuit de keuken zag hij haar zitten. En hij zag hoe de lamp aan het plafond haar bescheen, hoe zij soms even stilhield voor ze verder scrollde, alsof ze iets had gezien wat haar tegenhield en hoe er af en toe een glimlach op haar gezicht verscheen. Het ontroerde hem diep; het was eenzelfde soort gevoel als toen hij als kind op de achtbaan naar beneden was gevlogen: hij voelde de kriebels in zijn maag, hij merkte hoe de tranen die in zijn ogen prikten en hij moest naar adem happen. Hij hield van haar. Dat was nu eenmaal zo, zo was het sinds de eerste keer en zo zou het wel altijd blijven.

De volgende dag tijdens het avondeten – Karim had weer gekookt – zei Lena iets over een collega van haar. Een man op haar afdeling had promotie gemaakt. Ze beschreef hem terloops, zoals je iemand beschrijft die je verder niet interesseert: zijn naam, zijn functie. “Hamid, zei ze. Heb je hem nooit gezien, toen je me van mijn werk kwam halen?”

“Ik weet niet.”

“Lang, slank. Netjes gekapt. Nu ik er over nadenk niet zo opvallend. Eerder representatief.”

“Hamid? Nee”, zei hij.

Ze hadden het er niet meer over gehad. Lena had na het eten weer wat gewerkt, Karim had afgewassen en ze waren vroeg naar bed gegaan. Maar Karim kon de slaap niet vatten. Terwijl Lena diep lag te slapen, ging hij naar de badkamer. Daar bleef hij voor de spiegel staan en bekeek zichzelf eens goed. Hij zag het duidelijk: zijn oren stonden te ver van zijn hoofd. Raar. Het was hem nooit eerder opgevallen.

De dag daarop vroeg Karim Lena onder het eten naar Hamid.

“Misschien heb ik hem toch wel eens ontmoet”zei hij. “Hoe zien zijn oren eruit?”

“Zijn oren?”, ze dacht even na. “Ja, gewoon… ze vallen niet echt op.”

“En dat is goed?”

Ze haalde haar schouders op.

“Beter dan flaporen, lijkt me. Of van die lange oorlellen.”

“Ja, nu je het zegt”, zei ze nadenkend.

De zaterdag daarop bezocht hij zoals altijd de grote markt in de Middenring. In de bus op weg ernaartoe, keek hij naar de oren van zijn medepassagiers. Het viel hem op dat er enkele mannen waren met flaporen, die net zo ver uitstaken als die van hem of zelfs nog verder. Maar die mannen waren in een minderheid. En, belangrijker nog, die mannen waren meestal alleen, en keken droevig voor zich uit. De mannen met gewone, onopvallende oren waren meestal in het gezelschap van een aantrekkelijke vrouw, zagen er verzorgd uit en straalden van levensvreugde. Karim wist wat hem te doen stond.

Nadat Lena maandagochtend naar haar werk was vertrokken, belde hij het Instituut voor Persoonlijke Optimalisatie & Presentatiebeheer in de Binnenring en maakte een afspraak. Er was een wachtlijst, zei de vrouw die opnam, maar over drie weken kon hij er terecht. En mocht hij zich bedenken, dan kon hij dat tot een week van tevoren opgeven.

Maar hij bedacht zich niet; drie weken later nam hij de bus (vergezeld van opvallend veel mannen met onopvallende oren) naar het Instituut en meldde zich aan. Na een half uurtje in de wachtkamer kon de arts hem in de behandelruimte ontvangen. Daar bekeek de arts zijn oren vanuit drie hoeken, hield een klein meetapparaat tegen de zijkant van zijn hoofd, tikte iets in op een scherm en mompelde iets over percentages, symmetriescores en referentiewaarden voor zijn leeftijdsgroep en geslacht. “Een kleine correctie”, zei de arts. “Een weekje rustig aandoen. Dan ziet u er niets meer van.” Hij lachte alsof hij een goede grap had gemaakt.

Karim lachte schaapachtig mee.

“U hoeft dus geen verlof op te nemen”, zei de arts.

“Mijn vrouw werkt”, zei Karim. “Ik niet.”

De ingreep stelde inderdaad weinig voor. Een week later stond Karim voor de spiegel en zag dat zijn oren tegen zijn hoofd aan lagen. Precies zoals hij het had gewild. Precies zoals het hoorde. Precies zoals de oren van mannen er in de foto’s bij de kappers uitzagen, precies zoals de oren van de mannen uit de Binnenring met hun mooie pakken. Operatie geslaagd, kortom. Lena vond het ook. “Het staat je goed”, zei ze. “Al was er niets mis met hoe je oren er vroeger uitzagen.”

Vier maanden later begon Karim zich aan zijn kaak te storen. Het leek wel alsof die niet helemaal recht hing, alsof de linkerkant net iets hoger was dan de rechterkant. Hij meldde zich weer aan bij het Instituut voor Persoonlijke Optimalisatie & Presentatiebeheer, waar hij onder behandeling kwam van een arts die hem vertelde dat de ‘mandibula’ inderdaad een lichte asymmetrie vertoonde. Het vormde geen bedreiging voor zijn gezondheid. Een operatie was dan ook niet noodzakelijk, zei hij. Maar de ‘harmonie’ van het gezicht was wel verstoord. Een cosmetische ingreep zou dat kunnen verhelpen en aanzienlijke verbetering geven van zijn ‘algehele presentatie’. Karim knikte. Hij wilde een ‘harmonisch’ gezicht, dat voor anderen aangenamer zou zijn om naar te kijken. Waardoor hij minder weerstand zou oproepen. En meer liefde.

De ingreep duurde negentig minuten. Zijn kaak was drie dagen opgezwollen, hij moest vijf dagen pijnstillers slikken voordat de stijfheid uit zijn gezicht was weggetrokken. Maar het had geholpen. Lena zei het ook: “Het staat je goed. Al was er niets mis met hoe je kaak er vroeger uitzag.”

De neus volgde in het voorjaar. Hij bleek een kleine bult op de neusrug te hebben, die bij strijklicht goed zichtbaar was. Karim was zich er jarenlang niet van bewust geweest. Nu kon hij niet in de spiegel kijken zonder dat hij die bultneus zag. De arts pleitte voor een septumcorrectie met rhinoplastiek. “Twee vogels met één steen”, zei hij met een gulle lach over zijn eigen grap. Karim had maar weer meegelachen. Het bleek weer een kleine ingreep te zijn, zij het dat hij deze keer twee weken met dikke pleisters op zijn neus moest rondlopen. Hij vertelde Lena dat hij zijn neustussenschot had laten rechtzetten vanwege slaapproblemen. “Verstandig”, zei ze. Hij was bang geweest dat ze kwaad op hem zou worden, maar niets daarvan. Al viel het hem wel op hoe ze soms naar hem keek als ze dacht dat hij het niet zag. Peinzend, dacht hij, al was het een blik die hij niet helemaal kon lezen.

Toen de pleisters mochten worden verwijderd, bleek dat zijn neus inderdaad kaarsrecht stond. En terwijl hij dit wonder van plastische chirurgie bekeek, begon hij te begrijpen dat hij op weg was naar iets. Dat de afstand tussen wie hij was en wie hij moest zijn kleiner was geworden. Dat hij zich had verwijderd van het gezicht dat hij had gehad en zich nu richting het gezicht dat hij moest hebben bewoog. Elke ingreep bracht hem een stap dichter bij het punt waarop er niets meer te verbeteren viel.

Zijn terugwijkende haargrens was het volgende project. In vier sessies met tussenpozen van drie weken werd zijn haargrens naar voren verlegd en werd er nieuw haar aangelegd. Na de laatste sessie zei Lena: “Je lijkt jonger. Niet dat er iets mis was met hoe je haar eerst was.” Die nacht sloop hij weer naar de badkamer terwijl Lena sliep. In de spiegel keek een man terug die eruitzag zoals een man eruit hoorde te zien. Oren die niet meer uitstaken, een kaak die niet meer scheefhing. Een rechte neus. Een haargrens die niet van wijken wist. Hij kon tevreden zijn. Hij deed het licht uit en ging terug naar bed.

Maar de volgende ochtend moest hij voor een controleafspraak naar de arts die zijn neus had rechtgezet. Hij nam plaats in de wachtkamer, schuin tegenover een man in de hoek van de kamer die verdiept was in een tijdschrift. Toen hij ging zitten keek de man even op. De man had oren die niet uitstaken, een rechte kaak, een rechte neus, een volle haarbos en een haargrens die niet van wijken wist. De man knikte en keek Karim aan met wat wel een blik van verstandhouding kon zijn: een vreugdeloze glimlach, met lippen die waren samengeperst omdat er niets te zeggen valt wat de ander niet al wist.

Toen hij bij de bushalte wachtte om terug te keren naar de Middenring, stond er iemand met zijn rug naar hem toegekeerd. Hij droeg een jas met een kraag die te groot was voor zijn nek en zijn hoofd was voorovergebogen, de houding van iemand die verdiept is in zijn telefoon. Toen de man zich omkeerde, zag Karim zijn gezicht. En jawel: oren die niet uitstaken, een rechte kaak, een rechte neus, een volle haarbos en een haargrens die niet van wijken wist.

Onderweg naar huis passeerde hij een etalage van een winkel. Hij keek even in de etalage omdat hij meende dat daar iemand bewoog en hem wenkte. Even dacht hij oog in oog met zijn eigen spiegelbeeld in de winkelruit te staan. Maar het was geen spiegelbeeld: het was een etalagepop. Karim wist niet hoe snel hij naar huis moest gaan.

Thuis aangekomen deed hij de sleutel in het slot en merkte dat de sleutel niet paste. Hij probeerde het opnieuw, maar niets. Hij belde aan, maar niemand deed open. Hij wachtte een paar minuten en belde opnieuw aan. Dit keer kwam Lena wel. Achter haar stond een man.

“Hamid”, zei ze. “Jullie kennen elkaar geloof ik wel. Van het werk.”

Karim keek naar de man. En jawel: oren die niet uitstaken, een rechte kaak, een rechte neus, een volle haarbos en een haargrens die niet van wijken wist. De man die hij had willen zijn. De man er altijd al had uitgezien zoals hij er nu ook uit zag. De man die hij geworden was. Of liever gezegd: de man die hem geworden was.

“Ik herken je niet meer”, zei Lena. “Ik weet niet meer wie je bent.” Ze haalde haar schouders op en deed de deur in zijn gezicht dicht.

Het nieuwe appartement dat hij huurde lag in de Buitenring en was een stuk kleiner dan het vorige. Hij pakte zijn spullen uit en maakte een couscoussalade voor zichzelf. Hij zou misschien kok kunnen worden ergens, bedacht hij. Mensen in de Buitenring waren misschien niet rijk, maar zouden vast ook af en toe buitenshuis moeten eten. Dat hij wel ervaring had met koken maar niet als kok, hoefde misschien geen bezwaar te zijn. Iedereen wist dat de beste restaurants de vreselijkste gasten hadden. Hij zou misschien in een minder goed restaurant terecht komen, met vriendelijke gasten.

Zaran zweeg.

“Ik vond dit niet zo’n goed verhaal”, zei Shara. “Ik had er meer van verwacht.”

“Als je lage verwachtingen hebt, ben je niet zo gauw teleurgesteld. Maar ik betwijfel of het verhaal er beter door wordt”, zei Zaran.

“Het leek wel alsof er iets ontbrak”,  zei Shara. “Als ik het had verteld, dan… ”

“Dan was jij de verteller geweest.”

“Ik vond het ook niet zo leuk.”

“Ik had het gezegd. Niet elk verhaal kan leuk zijn.”

“Misschien niet”, zei Shara. Ze moest denken aan haar eigen gezondheid, die in de afgelopen dagen met sprongen vooruit was gegaan. Zou dit verhaal schadelijk zijn voor haar gezondheid? “Maar moet je zo’n onprettig verhaal dan wel vertellen?”, vroeg ze.

“Weet je hoe Karim zich voelde als hij naar Lena keek? De kriebels in zijn maag, de tranen in zijn ogen, zijn ademnood?”

“Ja.”

“Dat vond hij ook niet ‘leuk’. Maar hij kon niet anders dan van haar houden. Ik kon ook niet anders dan dit verhaal vertellen.”

“Dat begrijp ik toch niet helemaal”, zei Shara.

“Ik ook niet. En toch is het zo”, zei Zaran en hij verloor zich weer in een lach waarvan Shara dacht dat die hem het leven zou kunnen kosten.

Deel:

Geef een reactie