Hayatira – 6e nacht: de vrouw die haar man terugvond nadat ze hem was kwijtgeraakt (Een Sci-Fai sprookje)

Hij schreef elke avond. Dingen die hij zich herinnerde. Een grap van zijn vader. Hoe zijn moeder haar haar opstak. De naam van een straat waar ze hadden gewoond.
Hadaya begreep er niets van. Volstrekt zinloos. Niet-Productieve Cognitie.
Tot ze zijn notitieboekjes opensloeg en op de laatste pagina haar eigen naam vond.
Een sciencefictionverhaal geïnspireerd op de 1001 Nacht.
“Ik voel me net een piano waarop te vaak is gespeeld”, zei Zaran aan het begin van de zesde nacht. “Mijn toetsen reageren niet meer snel genoeg op aanslagen, mijn noten klinken niet meer helder en mijn klankkast is zo kromgetrokken dat passages die hard moeten klinken veel te zacht zijn en passages die zacht moeten klinken veel te hard.”
“Als het je uitkomt, hoef je natuurlijk niet te vertellen”, zei Shara. “We kunnen ook een andere keer afspreken.”
“Nee”, zei Zaran. “Ook dit verhaal moet verteld worden. En misschien is het morgen te laat. Dus… ”
Hij schraapte zijn keel en begon.
—
Hadaya Saan woonde op de viertiende verdieping van Wooneenheid 44, blok C, Middenring. Haar appartement had een raam dat uitkeek op de ventilatieschacht van de aangrenzende productiehal. Overdag was het luidruchtig, ’s nachts doodstil. De dag begon er vroeg, de nacht ook.
Ze werkte bij Afdeling Documentbeheer van het Instituut voor Archiefverwerking. Haar taak was de periodieke verwijdering van Niet-Productieve bestanden, van allerlei formulieren die niet meer werden gebruikt en dossiers die waren afgesloten tot publicaties die waren verboden.
Haar man heette Daniyal. Ze hadden elkaar ontmoet via een Productieve Koppelingsmodule, zoals zoveel mannen en vrouwen in hun leeftijdsgroep. Hij werkte bij Technisch Onderhoud, sectie Leidingwerk. Hij was stiller dan de module had voorspeld. Dat was het eerste wat ze van hem had onthouden: niet hoe hij eruitzag, maar hoe hij zweeg. De meeste mensen vulden de stilte met woorden. Met meningen. Met anekdotes. Soms met vragen Daniyal niet. Als hij niets te zeggen had, zei hij niets, en de eerste avonden werd ze er ongemakkelijk van. Maar ze raakte er gaandeweg aan gewend.
Toen ze eenmaal samenwoonden, bleek dat zijn zwijgen besmettelijk was. Zij had het altijd heerlijk gevonden om ‘lekker te kletsen’, zoals zij dat noemde. Met vriendinnen roddelen over die en die (die net bij elkaar waren of juist net uit elkaar). Giebelen over lichamelijke eigenaardigheden (het haar op de rug van hun vriendjes! de geur van een die man die zich net heeft geschoren!). Samen fantaseren over hoe hun leven er later uit zou zien, als hun ouders waren overleden en de kinderen het huis waren. Met Daniyal had ze nooit de aandrang om dat soort gesprekken te voeren. Als de twee al praatten, dan ging het over de dagelijkse boodschappen, over hoe de klussen in huis waar Daniyal mee bezig was vorderden (hij was altijd met verschillende klussen tegelijk bezig) of over hoe de maaltijd smaakte (als zij had gekookt vond Daniyal het altijd ‘buitengewoon’, als hij had gekookt vond zij het altijd ‘lekker’). Maar meestal praatten ze helemaal niet.
Hij had een eigenaardige manier van thee zetten. Hij wachtte tot het water kookte, zette het vuur dan uit en wachtte dan tot de bellen uit het water waren verdwenen. Hij kookte vaker dan zij, daar stond tegenover dat zij de administratie regelde. Omdat ze twee inkomens hadden en de huur deelden, hadden ze nooit gebrek aan geld. Alleen wisten ze niet altijd waar ze het geld aan moesten uitgeven, en zo stapelde het zich op. Of liever gezegd: zo ontstonden twee stapeltjes, want ze hadden ieder een eigen bankrekening.
Dat vond ze handig, want zo kon ze makkelijk zonder dat hij het merkte met haar vriendinnen de stad ingaan, en weer eens ‘lekker kletsen’. Ze had het liever niet over hem met haar vriendinnen, maar als hij toch ter sprake kwam, dan deed ze altijd een beetje lacherig over hem. Tenzij een van haar vriendinnen een onaardige opmerking over hem maakte, dan schoot ze altijd voor hem in de verdediging. Ze had wel eens over de liefde gehad met een vriendin. Toen die vroeg: “Geloof je in de liefde?” had ze gezegd: “Liefde vind ik overschat. Ik geloof in vriendschap. Liefde komt en liefde gaat. Vriendschap blijft, als het goed is ten minste. Niemand voldoet volledig aan jouw wensen, maar jij voldoet ook niet volledig aan iemand anders wensen. Maar als je allebei een mens van goede wil bent, kun je het wel prettig hebben samen. Als als je bereid bent niet alleen te nemen maar ook te geven. Dan kun je er wel wat van maken.” Daniyal en zij hadden het niet slecht.
Toen ze ruim drie jaar getrouwd waren, stierven zijn ouders. Zijn vader in januari, zijn moeder in maart. Zijn vader stierf aan een hartaanval tijdens zijn slaap, een milde dood dus. Zijn moeder had meteen besloten dat ze niet langer wilde leven. Ze stopte met eten en drinken en werd opgenomen in het ziekenhuis. Daar wisten ze haar nog drie weken in leven te houden, waarna de artsen het opgaven – geheel in overeenstemming met haar doodswens en geheel in overeenstemming met de in de Stad geldende regels voor euthanasie (die voor onproductieve bejaarden bijzonder soepel waren). Zijn ouders waren allebei de tachtig gepasseerd toen ze het leven lieten en daarmee bovengemiddeld oud. Menigeen zou er voor tekenen om zo dood te gaan. Menigeen zou er voor tekenen om zo afscheid te kunnen nemen van zijn ouders.
Hij had, zoals je wel zult weten, toestemming om dertig dagen te rouwen. Volgens het Rouwprotocol had hij tenslotte recht op een Productiviteitsonderbreking klasse B, mocht hij er gedurende de dagen dat hij wel werkte een verminderd werktempo op nahouden en kreeg hij twee consulten bij een Welzijnscoördinator. Daniyal had geen dertig dagen nodig. Hij nam geen vrije dagen op, vertelde zijn Welzijnscoördinator dat het goed was dat zijn ouders zo soepel uit het leven waren gegleden en hervatte op dag twintig al zijn taken op het werk.
Maar in de weken daarna was hij nog stiller dan daarvoor. En als hij sprak, dan stopte hij vaak midden in een zin. Als hij kookte, liet hij het eten zo vaak aanbranden dat Hadaya licht geïrriteerd had gezegd: “Laat maar, ik doe het wel.” En toen hij zijn excuses had aangeboden, had ze ‘Komt wel goed’ gezegd. Hij zei niet meer dat haar gerechten ‘buitengewoon’ waren, maar zat stil aan tafel. Hij at zijn bord niet meer leeg. Hij vergat vaak het eten naar zijn mond te brengen; dan zat hij daar maar, met zijn vork halverwege zijn bord en zijn mond en staarde maar wat voor zich uit.
Hadaya vroeg niet wat er aan de hand was. Ze had er de woorden niet voor. En bovendien wist ze natuurlijk wel wat er aan de hand was, al begreep ze niet waarom Daniyal het zich zo aantrok. Ze had nooit de indruk gehad dat hij een diepe band met hen had gehad. Natuurlijk: ze had zijn ouders maar vier keer per jaar gezien en alleen tijdens beleefdheidsbezoekjes. Maar als Daniyal zo gesteld was geweest op zijn ouders, dan had ze dat toch wel aangevoeld.
Misschien was zijn probleem ook niet zozeer dat hij zijn ouders miste, maar eerder dat hij spijt had dat hij nooit een erg diepe band met ze had gehad. Dat hij treurde over gemiste kansen. Maar ja, die kansen lagen nu eenmaal in het verleden en het verleden komt niet weerom. Je moet niet rouwig zijn over ‘sunk costs’, had ze tijdens haar studie geleerd. ‘Water under the bridge’ kun je nu eenmaal niet opeens stroomopwaarts laten gaan. Dat moest hij toch ook weten? Mensen werden geboren, ze groeiden op, ze werden oud, ze gingen dood of je nu verdrietig was of niet. Dus waarom zou je verdrietig zijn? Ze begreep dat je emoties niet altijd helemaal in de hand hebt, en dat het verdriet zich soms aandient zonder dat je het helemaal meester bent. Maar daar waren die dertig dagen voor, om dat gevoel de kop in te drukken. Of op zijn minst om te leren leven met je verdriet. Om er niet aan toe te geven, om niet onproductief te worden.
Maar Daniyals productiviteit leek steeds verder terug te lopen. Op een ggeeven moment begon hij ook nog elke avond in een notitieblokje te schrijven. Aanvankelijk een kwartier per keer, maar gaandeweg een half uur, een uur, de hele avond, tot diep in de nacht zelfs, tot hij eindelijk naar bed kwam om te gaan slapen. Toen Hadaya de moed had verzameld om hem te vragen wat hij opschreef, had hij geantwoord: “Dingen die ik me herinner.”
Ze had geruststellend geknikt, zonder te begrijpen wat hij bedoelde. Ze dacht toen wel: “Die man heeft hulp nodig. En ik kan ‘m die hulp niet geven.” Het kwam wel vaker voor, dat mensen niet genoeg hadden aan dertig dagen rouw, wist ze. Die konden dan een correctieprogramma volgen, waar ze dan als nieuw uitkwamen. Dus schreef ze Daniyal in voor een Correctief Begeleidingsprogramma.
Een paar dagen later kwam Daniyal niet thuis. Hadaya had geen bericht gekregen, maar had wel een vermoeden wat er aan de hand was. Slordig, vond ze, dat de administratieve afhandeling van de Faciliteit Welzijn in sector 3 niet helemaal op orde was. Ze zou daarover misschien een klacht indienen. Maar reden tot grote zorgen was het niet. En toen ze een week later inderdaad bericht kreeg dat Daniyal was opgenomen voor een Correctief Begeleidingsprogramma, was ze helemaal gerustgesteld.
Maar toen kreeg ze in de week daarop een bericht dat ze niet had verwacht: “Behandeling afgerond. Eenheid aangepast. Herbeoordeling Productiviteitsstatus gepland binnen 2 werkdagen.” En nadat die twee dagen waren verstreken, bleef het stil. Ze belde het nummer van de Faciliteit Welzijn in sector 3. Ze kreeg een automatisch antwoordsysteem, waar ze haar vraag aan kon doorgeven. Ze noemde zijn naam. Het systeem zei: “Geen actieve registratie.” Ze vroeg het opnieuw. Weer: “Geen actieve registratie.” De volgende dag kreeg ze weer een bericht: “Status: Behandeling afgerond. Eenheid niet teruggekeerd naar productieve functie. Dossier gesloten.”
Toen Daniyals ouders waren overleden, had Hadaya voor hem toestemming om te kunnen rouwen bij zijn werkgever gevraagd. Nu Daniyal er niet meer was, moest ze zelf vragen of ze in aanmerking kwam voor dertig dagen rouw. Haar werkgever deed gelukkig niet moeilijk, en terecht natuurlijk. Een huwelijkspartner verliezen doe je niet elke dag en het is slechts weinigen gegeven om zonder haperen te blijven functioneren.
De eerste dagen thuis vielen haar gelukkig mee. Het was altijd al rustig geweest in huis, en nu helemaal. Daardoor had ze alle tijd om voor zichzelf te koken. Ze kon op haar gemak het gereedschap dat in huis rondslingerde opruimen en zo een einde te maken aan alle halfaffe klussen van Daniyal. En ze kon ongestoord slapen, zonder dat ze werd gewekt door Daniyal die tot diep in de nacht in zijn notitieblok had zitten schrijven. De psycholoog die haar begeleidde was zeer tevreden, maar raadde haar aan om toch de toegestane dertig dagen in de rouw te blijven. Ze wist ten slotte hoe het Daniyal was vergaan. Ze moesten uiteraard zien te vermijden dat haar hetzelfde zou overkomen. Hadaya was het er mee eens geweest. Ze had de tijd gebruikt om de nalatenschap van Daniyal af te wikkelen. Ze hevelde zijn geld over naar haar bankrekening, zodat er nog maar één stapeltje over bleef. Ze bracht zijn gereedschap naar een lommerd in de Buitenring. Zijn kleren bracht ze naar een inzamelingspunt voor armen.
Maar toen deze klusje erop zaten, kreeg ze het toch te kwaad. Het begon ermee toen ze zijn notitieboekjes met aantekeningen vond. Ze had ze misschien beter meteen kunnen weggooien, maar iets weerhield haar daarvan. Ze bladerde het eerste boekje door, las de pagina’s met aantekeningen in zijn kleine, nette handschrift vluchtig en stuitte toen op een aantekening over een grap die Daniyals vader had verteld:
Een man vraagt zijn buurman: ‘Heb jij een ladder?’ De buurman zegt: ‘Die heb ik weggegeven.’ ‘Aan wie?’ De man zegt: ‘Aan wie?’ De buurman zegt: ‘Aan de man aan de overkant van de straat. Die doet er waarschijnlijk ook niets mee.’ Samen gaan ze naar de man aan de overkant van de straat en vragen: Heb je die ladder nog? Nee, zegt de man, ik deed er toch niets mee.
Waarom had Daniyal dit opgeschreven? Waarom had hij zich dit überhaupt herinnerd? Dat was toch volstrekt zinloos? Niet-Productieve Cognitie!
Ze bladerde verder en struikelde over de ene na de andere observatie van Daniyal. Over hoe zijn moeder d’r haar altijd met twee pennen opstak. Dat ze als iemand de deur uitging altijd zei: “Kijk uit op de hoek van de straat.” De namen van straten waar ze hadden gewoond. Gerechten die zijn moeder maakte. En op de laatste pagina: haar eigen naam.
Toen ze haar nam las, vatte ze dat op als een aanmoediging van Daniyal om ook te gaan schrijven. Om Daniyal te eren kocht ze daarom vijf notitieboekjes, identiek aan degene die hij had gebruikt. Op de eerste pagina van het eerste notitieboekje schreef ze zijn naam. Vervolgens schreef ze over zijn eigenaardige manier van thee zetten. Ze schreef over de manier waarop hij sliep, op zijn zij, met één arm voor zich uitgestrekt. Over het geluid dat hij maakte als hij nadacht, een soort zachte bromtoon. Over zijn handen, die breder waren dan je zou verwachten van iemand van zijn postuur. Ze schreef over een avond, drie jaar geleden, waarop ze laat was thuisgekomen van een vergadering en hij al sliep. Ze had in het donker haar jas opgehangen en was de slaapkamer binnengelopen en had even naar hem gekeken voor ze zelf naar bed ging. Ze had er nooit meer aan gedacht, maar nu kwam de herinnering eraan opeens boven.
Zo schreef ze het ene na het andere notitieboekje vol, totdat de dertig rouwdagen voorbij waren en ze weer naar haar werk moest. Ze zat om kwart voor negen achter haar scherm en ging aan de slag alsof er niets aan de hand was. Ze opende een eerste bestand op haar computer , de statusomschrijving en de aanbeveling en verwijderde het. Een tweede bestand volgde, een derde en zo werkte ze een paar uur door. Totdat ze merkte dat ze maar zat te zitten en naar haar computerscherm keek zonder iets te lezen. Ze nam een korte pauze en ging weer aan het werk.
Die avond schreef ze op waar ze aan had gedacht toen ze haar concentratievermogen was kwijtgeraakt: aan de week vakantie die ze hadden doorgebracht in Recreatiezone B, waar het had geregend en ze drie dagen binnen hadden gezeten met een bordspel dat hij van iemand had gekregen en waarvan de helft van de stukken had ontbroken. Hij had die stukken tijdens de vakantie willen namaken, maar had er zo lang over gedaan dat toen hij klaar was, de vakantie er al weer opzat. Destijds had ze er niet om kunnen lachen, maar nu vervulde de herinnering haar met grote vreugde.
Zo ging het voortaan steeds. Overdag werkte ze en was ze af en toe met haar gedachten elders. ’s Avonds werkte ze haar notitieboeken bij. Aanvankelijk was ze daar snel mee klaar, maar gaandeweg zat ze tot diep in de nacht te pennen. Ze schreef over de avond waarop zijn moeder had gebeld om te zeggen dat zijn vader ziek was. Hoe hij daarna lang op de bank had gezeten, zonder iets te zeggen. Ze was naast hem gaan zitten. Ze had zijn hand gepakt. Ze herinnerde zich nu pas dat ze dat had gedaan. En ze schreef over die laatste week met hem, over hoe ze hem had proberen te helpen, maar hem alleen maar de dood had in gejaagd. De man van wie ze zoveel had gehouden.
—
Zaran zweeg.
“En jouw verhalen?”, vroeg Shara. “Jij hebt ze aan allerlei mensen verteld, net zoals Daniyal zijn verhalen aan Hadaya. Wat hoop je dat er mee gebeurt?”
“Daar maak ik me niet druk om”, zei Zaran.
“Echt niet? Dat geloof ik niet.”
“Ik zal je een verhaal over mijn verhalen vertellen, misschien geloof je me dan”, zei Shara. “In de Binnenring word ik gezien als een gevaar, en heb ik nog nooit iemand bereikt met mijn verhalen. In de Middenring word ik gezien als een clown. Iemand die een verzetje kan gebruiken zal misschien even naar mij luisteren, maar iemand die kwaad in de zin zal me maltraiteren of aangeven bij politie. Ik heb geen enkele hoop dat mijn verhalen daar wortel zullen schieten.
“En in de Buitenring?”
“Ja, daar heb ik mijn verhalen wel altijd kunnen verspreiden, al was het dan in het verborgene. En ik twijfel er niet aan of ik heb mensen ontroerd of aan het denken gezet. Maar eerlijk gezegd was ik zelfs daar niet veel meer dan een … een animeerman.”
“Animeerman?”
“Een mannelijke animeermeisje. Een mannelijk geisha. Iemand die mensen even wegvoert uit hun dagelijkse beslommering en hen er even aan herinnert dat er meer is in leven. Maar zodra ik klaar was met een verhaal, nam de magie ervan al af. En de volgende dag was de toverkracht helemaal uitgewerkt. Vaak konden mensen uit het publiek zich niet eens meer herinneren wat ik ze had verteld.”
“Misschien zat er wel eens een Hadaya tussen?”
“Daar heb ik nooit iets van gemerkt.”











