Verloren verleden (Sci-Failleton, deel 6)
Uitvaartondernemer Oscar de Bruin heeft zijn werk tot een kunst verheven: met beperkte informatie en wat digitale sporen weet hij van elke overledene een waardig afscheid te creëren. Tot Matthijs van Dalen op zijn bureau belandt.
Een man zonder verhalen. Een leven zonder sporen. Een uitvaart zonder tranen.
Dertig bezoekers die beleefd zijn, maar niet rouwen. Een weduwe die zwijgt. Een digitaal verleden dat te perfect is om echt te zijn. En dan, na de dienst, verschijnt een man in een versleten leren jas met een onmogelijke bewering: “Dit was niet wie hij was.”
HOOFDSTUK 1: EEN MAN VAN WEINIG WOORDEN

Het melkachtig grijze licht viel vlak door de hoge ramen van De Nieuwe Ooster, zonder schaduw, zonder warmte. Oscar stond achterin de zaal, met zijn rug tegen de muur en zijn handen gevouwen voor zijn lichaam. Zijn marine blauwe pak rook naar de stomerij. Zijn kastanjebruine koffertje stond naast hem op de grond.
Dertig mensen waren er komen opdagen, misschien vijfendertig. Zo te zien voor het merendeel mensen van rond de vijftig. Sommigen ouder, niemand jonger. Een vrouw in een regenjas die ze niet had uitgetrokken. Twee mannen in identieke bruine truien. Mensen die niet naar elkaar keken, zonder elkaar te groeten waren gaan zitten en nu wachtten tot de dienst voorbij was.
Vooraan, achter een katheder van licht eikenhout, stond Lotte. Haar sjaal vandaag oranje met turquoise, fel tegen het grijs van de zaal. Ze had haar notities voor zich liggen, een A4’tje dat ze samen met Oscar had opgesteld, de samenvatting van een leven van iemand die ze niet hadden gekend en over wie ze veel te weinig wisten om er zinnige uitspraken over te doen.
“Matthijs van Dalen”, begon Lotte, met een kalme, professionele stem, “was geen man van grote gebaren.”
Oscar hoorde het aan zonder dat de tekst echt tot hem doordrong. Hij herkende het ritme dat hij zelf had aangebracht. Ving af en toe een zin op die hij had geformuleerd op basis van een Gmail-account met voornamelijk spam, een Facebook-profiel aangemaakt twintig jaar geleden maar nooit gebruikt, een laptop met Excel-sheets en een programma met schaakproblemen. En zag hoe Lotte de woorden uitsprak alsof ze wist waar ze het over had. Geen verhalen. Geen anekdotes. Alleen wat algemeenheden.
“Zijn vriendschap uitte zich in kleine dingen. Hij zorgde ervoor dat de boekhouding altijd klopte. Een kaartje voor collega’s als ze jarig waren. Zijn contributie aan de schaakclub, elk jaar stipt op tijd. Altijd hetzelfde plekje in de bibliotheek, derde rij, bij het raam.”
Iemand schraapte zijn keel. Het geluid echode tegen het plafond.
Oscar keek naar de kist. Lichtbruin beukenhout, eenvoudig model, geen versieringen. Matthijs van Dalen had geen specifieke wensen gehad voor zijn uitvaart. Geen favoriete muziek. Geen foto’s die getoond moesten worden.
“Wie Matthijs kende”, zei Lotte, en ze keek op van haar notities naar de mensen, maakte oogcontact zoals Oscar haar had geleerd, “wist dat hij een man was van weinig woorden maar enorme trouw. Hij was er. Dat was genoeg.”
Lotte deed het goed. De dienst verliep zoals het moest. Technisch correct. Emotioneel leeg. Maar meer viel er niet van te maken, niet met de beperkte informatie die ze hadden gehad over Matthijs van Dalen.
De vrouw in de regenjas keek op haar telefoon. Het scherm lichtte op, blauw tegen het grijs. Ze scrolde, duim bewegend, stopte toen iemand naar haar keek. Deed alsof ze een bericht las.
“Matthijs’ grote passie”, vervolgde Lotte, “waren schaakproblemen. Niet het spel zelf, hij speelde zelden tegen anderen. Maar de problemen. Die onoplosbaar lijken totdat je de sleutel vindt. Die elegante oplossing die altijd bestaat, ook al zie je hem niet meteen.”
Oscar had dat detail gevonden in een map op de laptop. Honderden schaakproblemen, zorgvuldig gecatalogeerd. Wit wint in vier zetten. Zwart forceert remise. Mat in zeven. Maar geen enkele oplossing ingevuld. Geen aantekeningen. Geen pogingen. Alsof iemand de situaties waarin spelers verzeild waren geraakt interessanter vond dan hoe ze zich eruit konden redden. Hij had het toch maar zo in de samenvatting gezet. Je moest iets zeggen. Ook over deze man, die plotseling uit het leven leek te zijn vertrokken voordat hij er goed en wel aan was begonnen.
Hij dacht aan Simone. Hoe ze verdween voordat ze stierf, beetje bij beetje, eerst haar energie, toen haar spraak, toen haar blik. Hoe hij naast haar zat in het ziekenhuis en haar hand vasthield maar niet wist wat hij moest zeggen. En toen was ze weg. Deze man was ook een vreemde geweest voor zijn naasten, zelfs zijn vrouw en kinderen hadden hem niet goed gekend. Maar waar Simone nog haar dagboeken had nagelaten en Oscar haar via allerlei getuigenissen van collega’s, vrienden en familieleden beter was gaan begrijpen, was en bleef deze man een blanco blad.
“We nemen afscheid”, zei Lotte, “van een rustige man in een rusteloze wereld. Van iemand die wist wat genoeg was.”
Ze legde haar aantekeningen neer. Het geritsel van papier klonk, waardoor de stilte in de zaal zich juist nadrukkelijk liet voelen.
Niemand huilde, niemand vertrok een spier. Zelfs de weduwe, op de eerste rij, leek onbewogen. Hun twee kinderen, een jongen van een jaar of acht en meisje van een jaar of twaalf, keken verveeld voor zich uit. Verder zat iedereen zat beleefd te zijn. Buren die waren gekomen uit plichtsbesef. Schaakclubleden die hun lid eerden met hun aanwezigheid maar verder geen traan om hem plengden. Collega’s van de man hem toch niet zo maar konden laten vertrekken, maar die die hem snel zouden vergeten.
De muziek begon. Schubert, Impromptu in G-flat major. Oscar had het gekozen omdat het rustig was en hem leek passen bij een man die van orde hield. Het klonk blikkerig door de speakers, elektronisch gereproduceerde geluidspixels
Lotte trok haar oranje sjaal wat strakker, stapte van achter de katheder vandaan en liep naar Oscar. “Het was wat het was”, zei ze zacht.
“Je hebt het goed gedaan”, zei Oscar.
“Hij gaf me niets.”
“Soms is dat alles wat er is.”
Lotte keek naar de mensen die naar de uitgang schuifelden. Niemand bleef bij de kist staan. Niemand legde een hand op het hout.
Ze liepen de schuifdeuren door naar de koffiekamer. Een zaal met fluorescerend, fel licht, plastic stoelen, witte kopjes op formica tafels en aan de kant tafels met goedkope koekjes, thermoskannen met koffie die al uren warm werd gehouden. De weduwe van de overledene was hen voorgegaan. Ze stond er afwachtend met haar twee kinderen aan weerszijden. Oscar en Lotte condoleerden haar. “Het was een dienst die recht deed aan de overledene”, voegde Oscar met omfloerste stem toe.
“Ik ga kijken of alles loopt”, zei Lotte tegen Oscar.
Oscar knikte. Hij schonk koffie in, zwart, nam een slok. Lauw en bitter. Hij keek naar de mensen die binnenkwamen, kleine groepjes, zacht pratend. Weer die ongemakkelijke energie van mensen die niet weten hoe lang ze moeten blijven.
Hij wilde Lotte vergezellen, om haar te complimenteren voor het tempo, de stem, de manier waarop ze pauzes gebruikte. Hij was van plan te zeggen dat ze het steeds beter deed, deze diensten, deze samengevatte levens. Maar iemand was hem voor. Een man met een versleten leren jas, grijs haar, brede schouders. Hij liep door de koffiekamer op Lotte af, waarbij hij verschillende mensen opzij duwde. Er ging een soort dierlijke dreiging van hem uit, schoot het door Oscar heen. Hij zette zijn koffiekopje neer en liep naar Lotte toe om haar bij te staan. De man sprak al voordat Oscar Lotte had kunnen bereiken.
“Dit klopte niet.”
Zijn stem trilde van – wat was het? – irritatie?, woede?, verontwaardiging?
Lotte draaide zich om. “Meneer?”
“Die man. Die verhalen.” De man gebaarde richting de zaal waar de dienst was geweest. “Dat was hij niet.”
“Ik begrijp dat dit een moeilijk moment is”, begon Lotte, professioneel, kalm, “maar…”
“Nee, nee.” Hij onderbrak haar. “U begrijpt het niet. Het ligt niet aan u. U heeft verteld wat u wist, ongetwijfeld. Maar dit was niet wie hij was. Het is…” Hij zocht naar woorden. “Een vervalsing.”
Oscar kwam erbij. “Ik ben Oscar de Bruin. Ik heb de dienst samen met mijn collega voorbereid. Als er iets niet klopt in de informatie…”
De man zuchtte en herhaalde: “Dit was niet wie hij was.”
Lotte vroeg, voorzichtig: “Kende u meneer Van Dalen goed?”
De man aarzelde. Keek om zich heen alsof hij verwachtte dat iemand meeluisterde. Maar de meeste gasten waren al vertrokken, en de overgebleven gasten stonden in groepjes bij elkaar aan de rand van de zaal, bij de tafels met de consumpties. Buiten gehoorsafstand.
“Ik kende hem van vroeger”, zei de man. “Van heel vroeger. Voordat dit allemaal.”
“Voordat wat?” vroeg Oscar.
Weer die aarzeling. Een keuze werd gemaakt, ergens achter die rode ogen.
“Voordat hij deze man werd. Voordat hij Matthijs was. Hij was iemand anders. Iemand die… andere mensen kende. Mensen die niet hier zijn. Die niet konden komen.”
Oscar en Lotte wisselden een blik. Dit gebeurde vaker. Mensen die de dood niet konden accepteren. Verhalen die groter waren dan het leven, verzinsels gebouwd op rouw.
“Iemand moet weten wie hij echt was. Hij verdiende dat. Iemand moet de waarheid kennen”, zei de man. Smekend, dacht Oscar. Wanhopig.
“Als u wilt kunt u dat in het condoleanceboek opschrijven. Bij de uitgang”, zei Oscar, in een poging de man elegant af te wimpelen.
“Nee, nee”, zei de man weer.
“Dan kunnen we vrees ik weinig voor u doen”, zei Oscar.
“Hij heeft dingen gedaan. Veel, heel veel. Voor mij. Voor anderen. En nu liegt iedereen over wie hij was. Zelfs zijn eigen uitvaart is een leugen.”
“U kunt de weduwe misschien aanschieten.”
“Dat kan niet”, zei de man: “Maar ik kan het u wel vertellen. Ik moet het u vertellen. Maar niet hier. ”
“Oké. Een aparte afspraak kan altijd”, zei Oscar, en haalde zin schouders op – want ‘waarom niet?’
“Oké”, zei Jamal. “Laat zien.” Oscar opende op zijn laptop een map waarin Matthijs van Dalens digitale nalatenschap stond, netjes ondergebracht in submappen. Emails, social media, documenten, foto’s, de de Excel-sheets en het een programma met schaakproblemen. Alles wat Judith hem had gegeven na de dood. Op een van grote beeldschermen in de computerruimte van Uitvaartcentrum de Bruin kon Jamal zien wat Oscar aanklikte. “Ik wil dat je er kritisch naar kijkt.” Jamal keek op. “Vertrouw je het niet?” “Ik weet het niet. Niet helemaal.” Jamal trok een stoel bij, ging zitten. Zijn vingers dansten over het trackpad van Oscars laptop. “Wat zoeken we?” “Ik weet niet. Iets dat niet klopt. Iets dat ik over het hoofd heb gezien toen ik de uitvaartdienst van deze man voorbereidde.” Oscar opende het Facebook-profiel van Matthijs. Aangemaakt 4 maart 2015. Bijna twintig jaar geleden. Geen posts en maar één profielfoto, van Matthijs van Dalen glimlachend tegeneen neutrale achtergrond. “Geen vrienden?” vroeg Jamal. “Vijftien. Buren, mensen van de schaakclub. Maar geen interactie. Geen likes, geen comments, geen gedeelde herinneringen.” Jamal scrollde door de timeline. Leeg. “Niemand gebruikt Facebook zo. Je maakt een profiel aan omdat iemand je vraagt. Je vriend wordt. Dan vergeet je het, maar er is altijd… rommel. Notificaties die je niet hebt uitgezet. Verjaardagen. Die ‘Zie je herinneringen van 10 jaar geleden’ posts.” “Hier niet.” “Hier niet.” Jamal leunde achterover. “Het is alsof iemand een profiel heeft gemaakt om te zeggen: ik ben een normaal persoon, ik heb Facebook. Maar daarna is die persoon gestopt met…” “… de schijn ophouden”, vulde Oscar aan. Jamal knikte bevestigend. “Kijk eens naar de foto’s”, zei Oscar. Jamal opende de fotobibliotheek. Honderden foto’s, georganiseerd in albums. Judith, schaakclub, bibliotheek, huis. Normale foto’s van een normaal leven. Maar Jamal klikte niet op de albums. Hij selecteerde alle foto’s, draaide een tool. Metadata-extractor. Tabellen verschenen op het scherm, met cameramerk, datum, GPS-coördinaten, belichting. “De meeste zijn echt”, zei Jamal, scrollend. “iPhone Z, gekocht in 2030. Metadata kloppen, GPS matcht met Amsterdam-Noord. Maar deze…” Hij opende een foto. Matthijs van Dalen, jonger, misschien 25. Zittend op een bankje, park, voorjaar. “EXIF zegt Canon EOS 5D Mark II. Maar kijk—” Jamal opende een dieper analyseniveau. Hexadecimale code, sensor signatures, kleurprofielen. “De sensor signature klopt niet. Dit is niet van die camera. Iemand heeft de metadata aangepast.” “Waarom?” “Om te verbergen waar de foto vandaan komt?” Ze keken naar meer foto’s. De meeste waren echt. Telefoon, simpel, GPS klopt. Maar foto’s van Matthijs uit de tijd voordat Judith hem kende waren allemaal bewerkt. Vaak niet alleen de metadata, maar ook de foto’s zelf. En op elke foto uit die tijd stond alleen Matthijs zelf, alsof hij destijds niemand had gekend en hij als enige mens op aarde had geleefd. “Dit is wel heel vreemd”, zei Jamal. “Wie was deze man?” “Dat zou ik ook wel willen weten.” De volgende dag, om vijf voor drie stond Oscar bij het raam. Hij zag de man ankomen. Dezelfde leren jas, nu met een canvas tas over zijn schouder. Dezelfde sluipende, dierlijke pas. Oscar liep naar de deur om de man binnen te laten. Meestal liet Lotte mensen binnen, maar hij wilde haar de ongemakkelijke tweede ontmoeting met deze man besparen. “Meneer De Bruin.” De man stak zijn hand uit, en stelde zich eindelijk voor: “Theo Dekker.” Ze schudden handen. Theo’s handpalm was ruw, vol eelt van fysiek werk. Oscar loosde hem zijn werkruimte binnen en nodigde hem met een gebaar uit plaats te nemen op stoel tegenover zijn bureau. Theo ging zitten zonder te vragen, zette zijn tas naast zich neer. Theo haalde diep adem. “Ik wil u een opdracht geven. Organiseer een tweede dienst. Een echte dienst. Voor de mensen die Roland Dekker hebben gekend.” “Wie is Roland Dekker?” “Matthijs van Dalen. Zijn echte naam. Matthijs was… een constructie. Een identiteit die hem werd gegeven door de overheid. Getuigenbescherming. Sinds 2003.” Oscar wist zijn gezicht in de plooi te houden. “Getuigenbescherming?”, herhaalde hij zo nonchalant mogelijk. Theo keek naar zijn handen. Grote handen, littekens op de knokkels. “Hij was een belangrijke getuige in een zaak. In Rotterdam. Heroïnehandel.” Hij keek op. “Een verrader, misschien. Maar ik zie het anders.” “En u hebt hem goed gekend?” Lange stilte. Theo’s kaak verstrakte. “Ik ben familie. Zijn broer.” Nu was het Oscars beurt om te zwijgen. Hij liet de mededeling even op zich inwerken. “Ja, dan heeft u hem goed gekend. Vroeger dan. Gecondoleerd natuurlijk.” “De laatste jaren hadden we maar sporadisch contact. Het was te gevaarlijk om elkaar vaker te zien.” Oscar knikte, hoewel hij het fijne van die opmerking niet begreep. “Pas de laatste maanden zagen we elkaar wat vaker”, zie Theo. “Het was alsof hij wist dat zijn einde naderde.” “Mmm”, zei Oscar. “Wie voelt er nu een hartaanval naderen?” Theo haalde zijn schouders op. “Ik heb hem in elk geval goed gekend. En ik vind dat hij het verdient om echt te worden herdacht. Om wie hij werkelijk was.” Oscar leunde achterover in zijn stoel. De risico’s van een herdenkingsdienst voor iemand die in het criminele circuit bekend stond als een verrader begonnen tot hem door te dringen, daarvoor had hij genoeg maffiafilms gezien. “Maar als uitlekt dat Matthijs eigenlijk Roland was, dan… Je weet niet waar de mensen die zich door Roland verraden voelen toe in staat zijn.” “Het is gevaarlijk. Voor mij. Voor de weduwe. Voor haar kinderen. Ik weet het. Ook al is het al weer 30 jaar dat hij van de radar verdween.” Oscar volgde zijn eigen gedachtestroom. “En de weduwe, Judith. En hun kinderen. Ook al lopen ze geen gevaar. Ze krijgen dan opeens te horen dat hun vader een heel verleden met zich meesleepte. ” “Dat ook”, erkende Theo. Oscar zei: “Dan waarom überhaupt een tweede dienst? Waarom dat verleden oprakelen?” Theo’s ogen glommen. Hij stond en sloeg geëmotioneerd op het houten bureau. Even dacht Oscar dat Theo hem zou bedreigen, maar Theo’s agressiviteit was niet op hem gericht. “Omdat er mensen zijn – oude vrienden, een nicht die voor hem zorgde toen hij jong was – die bijna dertig jaar in onzekerheid zitten. Die geen idee hebben wat er is gebeurd toen hij opeens verdween. Ze denken dat hij al jaren geleden is gestorven. Of gevlucht. Of… ze weten het niet. Ze hebben nooit geen afscheid kunnen nemen. En nu is hij echt dood, en ze weten het niet eens.” Oscar hoefde niet lang na te denken. “Dat is verschrikkelijk, daar heeft u gelijk in. Misschien kan het wel. Een bijeenkomst waar we niet te veel ruchtbaarheid aan geven. Met alleen mensen van vroeger. Zonder de weduwe en de kinderen. Dan loopt niemand gevaar. U misschien, als bekend wordt dat u uw broer al die jaren hebt beschermd.” “Ik durf het wel aan”, zei Theo. “Ik ben al genoeg gestraft.” “Dan doen we dat”, zei Oscar, en hij reikte Theo de hand. “En ik spreek graag met mensen die hem gekend hebben zodat ik zijn levensverhaal kan optekenen. Dit keer wat completer.” “Ik kan je van alles over mijn broer vertellen”, zei Theo opgetogen. “En je kunt met deze mensen spreken” Hij haalde een papiertje uit zijn zak. Drie namen, geschreven in blokletters: Piet Korteweg, Anna Dekker, Martin Visser. Hun adressen, alle drie in Rotterdam. “Vraag ze maar naar Roland”, zei Theo. “Leer hem kennen.” “Dat zal ik doen”, zei Oscar. “Al is het lastig dat ik niet kan vertellen wie hij geworden was.” “Zeg gewoon dat je ook niet weet wat voor een man hij was toen hij stierf.” “En dat is niet eens helemaal onwaar”, knikte Oscar. Oscar nam de trein naar station Lombardijen in Rotterdam, stapte uit en wandelde richting De Veranda, het café waar hij met Piet Korteweg had afgesproken. De straten werden smaller naarmate hij dichter bij de Maas kwam. Rijtjeshuizen, bakstenen gevels, wasgoed aan lijnen tussen balkons. Een buurt waar je aan zou voorbijlopen als je er niet moest zijn. Café De Veranda was een hoekpand, groene letters boven het raam, half vervaagd. Binnen zaten drie oudere mannen bij de bar, kijkend naar een televisie zonder geluid. Voetbal. Ajax tegen een andere club, zag Oscar. “Ben benieuwd wat er gebeurt als Ajax scoort”, dacht Oscar. Piet Korteweg zat bij het raam. Oscar had geen foto van hem, geen duidelijke omschrijving van hem gekregen, maar hij wist meteen dat het hem was. Een vijftiger, zo te zien iets ouder dan Theo, maar ook met de uitstraling van een militair in burger. Zijn haar was gemillimeterd. Zijn handen lagen op tafel, groot en met dikke kokkels. Hij had een kop zwarte koffie voor zich, en roerde er langzaam in. Oscar op hem af. “Piet Korteweg?” Piet keek op. Bozig en achterdochtig. Ook dat deed Oscar aan Theo denken. “Oscar de Bruin?” “Ja.” “Ga zitten.” Geen uitgestoken hand. Piet gebaarde naar de stoel tegenover hem. Oscar ging zitten, legde zijn handen ook op tafel. Hij was het gewend om de houding van mensen te spiegelen om hen op hun gemak te stellen en deed dat ook nu, zonder er zelf erg in te hebben. Oscar besloot direct te zijn. “Ik hoorde dat u Roland Dekker hebt gekend. Vroeger.” Stilte. Piet verstijfde. Zijn handen sloten zich rond zijn koffiekop, te strak. “Wie heeft u dat verteld?” “Ik kreeg een tip. Van iemand die dacht dat zijn verhaal het waard was om verteld te worden. Theo.” “Theo”, zei Piet en hij trok een vies gezicht. “Roland is al jaren dood. Of weg. Wat maakt het uit?” Oscar dacht aan Theo’s woorden. “Misschien niets. Maar misschien verdienen mensen die verdwijnen toch dat hun verhaal niet verdwijnt.” Piet keek naar zijn koffie. De mannen bij de bar lachten om iets, te luid, geforceerd. Ajax had gemist. “Waarom geeft u om Roland?” vroeg Piet Korteweg. Zijn achterdocht leek daarnet even te zijn verdwenen, maar was nu helemaal terug. “Hij is onlangs overleden. Ik ben begrafenisondernemer. En ik ben verantwoordelijk voor de uitvaart. Daarom wil ik mensen spreken die hem hebben gekend. Voor een laatste vaarwel.” Piet keek op. Iets in zijn blik veranderde. Herkenning. Pijn. “Hij was mijn beste vriend”, zei Piet. Eenvoudig. Geen verdere uitleg. Maar ook geen vragen hoe Oscar wist dat Roland was overleden of van wie hij dat gehoord had. Oscar wachtte. Piet begon te praten. “We groeiden op in Katendrecht. Kent u dat?” “Van naam.” “Nu zijn het lofts en kunstgaleries. Vroeger was het anders. Arm. Havenwijk. Seks, drugs, geweld. Maar ook en echte gemeenschap. Mensen hielpen elkaar omdat niemand anders dat deed.” Hij dronk zijn koffie, keek uit het raam naar een straat die leeg was, op een vrouw met een boodschappenkar na. “Roland en ik. Twee jongens zonder vader. Moeders die werkten, altijd. Drie banen, vier banen. Wij hadden elkaar. Speelden in de haven, tussen de containers. Leerden zwemmen in de Maas, ook al was het water vies. We zijn samen opgegroeid.” “En later?” vroeg Oscar. “Samen aan de slag in de haven. Lossen, laden, transport. Maar de haven was meer dan dat. Er waren… mogelijkheden. Voor mensen die niet te kieskeurig waren.” Piet keek Oscar aan. “U weet waar ik het over heb.” “Ja.” “Het begon klein. Sigaretten. Van hier naar daar. Spullen die niet officieel vervoerd mochten worden. We waren goed. Discreet. Betrouwbaar. Toen kwamen grotere dingen.” Oscar knikte begrijpend. “We waren niet de bazen”, vervolgde hij. “We voerden het werk uit. Roland hield de administratie bij. Hij zorgde dat de cijfers klopten, dat betalingen liepen, dat niemand werd opgelicht. Hij was goed met cijfers, kon dingen organiseren. Had boekhouder kunnen worden als hij was blijven leren. Maar dit betaalde beter. Veel beter.” De serveerster liep langs met een dienblad. Piet wachtte tot ze buiten gehoorafstand was. “Ik deed de fysieke kant. Ophalen, brengen, checken. We werkten voor machtige mensen. Ik wist vaak niet eens wie. En de namen die ik wel ken ga ik niet noemen.” “En toen?” “En toen verdween hij. In 2002 of -3, geloof ik. Halverwege maart. Ik zou hem thuis komen ophalen – hij woonde nog bij zijn moeder in Katendrecht – maar hij was er niet. Zijn moeder zei dat hij weg was. Meer niet. Alleen weg.” Piets stem werd harder. Pijn die zich vermomde als boosheid, dacht Oscar. “Ik dacht dat hij dood was. Of gevlucht. Dat gebeurde soms. Mensen die te veel wisten, of te veel schuld hadden, die moesten plotseling weg. Soms hoorde je later dat ze in Spanje zaten, of Marokko. Soms hoorde je niets meer.” “U heeft nooit geweten wat er gebeurde.” “Nee. Dertig jaar. Niets. Geen brief, geen telefoontje. Niets.” Hij keek Oscar aan. Oscar dronk zijn koffie. Lauw, bitter. “Als u hem iets kon zeggen. Nu. Wat zou dat zijn?” Piet dacht lang na. Buiten stopte een auto, motor lopend. Iemand stapte uit, haastte zich een winkel in. “Ik zou vragen waarom”, zei Piet. “Waarom zonder afscheid. Ik zou zeggen dat ik het begrijp als hij moest vluchten, als het gevaarlijk was. Maar ik zou willen dat hij me had vertrouwd. Dat hij me had gezegd: Piet, ik moet weg, het is niet veilig, maar ik vergeet je niet.” Hij veegde over zijn ogen, snel, alsof hij iets wegwreef dat er niet hoorde te zijn. “Maar dat gebeurde niet. En nu is het dus te laat.” “De meeste mensen zitten in de gevangenis of zijn overleden. Anna Dekker en Martin Visser, die hebben hem ook goed gekend. Ik kan de namen en adressen geven.” “En Theo? Die heeft u ook gekend, neem ik aan.” Piet aarzelde. “Heb ik geen contact meer mee. Werkten we wel eens mee samen, maar ik ga daar niets over zeggen. Nadat Matthijs was verdwenen, heb ik even vast gezeten. Zijn broer ook. En nog wat mensen. Toen ik vrijkwam heb ik die wereld vaarwel gezegd. Daarna heb ik alleen maar legaal werk gedaan.” “Ik zal eens contact opnemen met Anna Dekker. En met Martin Visser.” “Ik heb foto’s”, zei Piet. “Van toen. Misschien wilt u die zien. Voor uw… project.” “Graag”, zei Oscar. Piet stond op en pakte een map met foto’s die vergeeld waren aan de randen. Hij hield er een omhoog. “Dit is Roland. Achttien jaar. We gingen zwemmen in de Maas. Stom, gevaarlijk. Maar we dachten dat we onkwetsbaar waren.” Nog een foto. “Dit is Roland met zijn eerste auto. Een Opel Kadett, rood, half verroest. Hij was zo trots. Alsof hij een Ferrari had gekocht.” En nog een: Roland jong, lachend, een arm om Piet geslagen. Piets stem brak. “Dit is de Roland die ik kende. Grappig. Soms stom. Maar hij stond altijd klaar. Hij was er altijd. Tot hij er niet meer was.” Oscar kwam zijn kantoor binnen, een kop koffie van het koffietentje op de hoek in de ene hand en zijn telefoon in de andere. Berichten van Lotte over een nieuwe klant en van Henk of hij zondag kwam eten. Hij negeerde ze, zette zijn koffie neer, hing zijn jas op en liep zijn werkkamer binnen. Hij werd opgewacht door iemand die hij meteen herkende, al schoot haar naam hem niet meteen te binnen. Een vrouw van de politie, begin veertig, donker pak, het blonde haar strak naar achteren in zijn gezicht. Ze wuifde met haar pas in zijn gezicht. Natuurlijk. Marloes van Dijk. “Marloes!”, zei Oscar. “Long time no see! Ben ik inmiddels een bekende van de politie?!” Marloes reageerde niet meteen op deze toenaderingspoging, maar haalde een klein notitieblok van zwart leer tevoorschijn, met bladzijden vol handgeschreven aantekeningen. “Oscar”, zei ze toen pas. “Als ik vragen mag. Je hebt afgelopen zondag de uitvaart verzorgd van Matthijs van Dalen. 54 jaar, overleden op 2 januari.” Het was geen vraag. Oscar knikte. “Kende je meneer Van Dalen persoonlijk?” “Nee. Ik ben ingehuurd door zijn weduwe, Judith.” “Wat kun je me vertellen over de uitvaart?” Oscar leunde achterover. “Standaarddienst. Kleinschalig. Collega’s, buren, mensen van de schaakclub, van de bibliotheek. Geen familie, alleen zijn vrouw en kinderen. Hoe zo?” Marloes antwoorde niet, maar ging onverstoorbaar door. “Hoe vond je de stemming?” Vreemde vraag. Oscar dacht na. “Rustig. Geen grote emoties. Mensen zeiden de gebruikelijke dingen. Dat hij aardig was, betrouwbaar. Dat ze hem zullen missen.” “Geloofde je dat?” “Waarom zou ik het niet geloven?” Marloes glimlachte dunnetjes. “Je let toch wel op mensen? Op hun gedrag. Op hoe ze rouwen.” Oscar zei niets. “Dus nog een keer: geloof je dat die mensen Matthijs van Dalen gaan missen?” Oscar koos ervoor het over een andere boeg te gooien. Een eerlijke boeg (al wist hij niet zeker of dat zo werd genoemd). “Nee. Het voelde hol. Niemand huilde. Niemand vertelde een echt verhaal. Iedereen bleef aan de oppervlakte. Het was alsof ze een rol speelden.” Marloes schreef iets op. “Interessant. Waarom denk je dat was?” “Misschien kenden ze hem niet goed genoeg om werkelijk bedroefd te zijn.” “Misschien”, zei Marloes, “kenden hem helemaal niet.” Marloes keek op van haar notitieblok. “Matthijs van Dalen bestond niet voor 2003. Geen geboorteakte, geen jeugdfoto’s, geen schoolrapporten. Hij verschijnt gewoon- poef – als volwassen man met een adres in Amsterdam-Noord.” Oscar zei: “Mensen verhuizen. Beginnen opnieuw.” “Niet zo. Niet zo radicaal.” Marloes sloeg een bladzijde om. “Wist je dat Matthijs van Dalen niet zijn echte naam was? Dat hij eigenlijke Roland Dekker heette?” Oscar besloot voorzichtig te zijn. “Nee. Dat wist ik niet.” “En dat hij al bijna dertig jaar getuigenbescherming had?” “Hoe had ik dat kunnen weten? Daar zijn die programma’s toch voor, om dat te voorkomen?” Marloes keek hem onderzoekend aan. “We lopen er niet mee te koop. Ik deel het je in vertrouwen mede. Ik hoop dat je mij ook vertrouwt.” “Natuurlijk.” “Oké. Wees eerlijk, dan. Je wist dat er iets niet klopte?” “Hoezo?” “Je bent op onderzoek uitgegaan. Je hebt Piet Korteweg ontmoet. En…” – ze keek even naar haar aantekeningen – “… één uur en zeventien minuten met hem gesproken.” Oscar verstijfde. “Je hebt me gevolgd?” “Nee. Meneer Korteweg staat onder observatie. Zijn naam komt voor in oude dossiers. Hij werd verdacht van heroïnehandel, geweldpleging, witwassen. Maar hij is alleen maar veroordeeld voor kleine zaken. Toen een uitvaartondernemer uit Amsterdam plotseling met hem ging koffiedrinken, werden we nieuwsgierig.” “Ook al zijn die misdrijven al lang en breed verjaard?” Marloes leunde voorover. “Ook al zijn die zaken verjaard, inderdaad. Dus Oscar, vertel: wat wist je over Matthijs van Dalen?” Oscar dacht na. Dit was geen verhoor, geen arrestatie, hij werd nergens van verdacht. Hij had ook geen strafbare feiten gepleegd. Wat dat betreft kon hij best open kaart spelen. Toch aarzelde hij. Hoe minder mensen wisten dat Theo hem had benaderd, hoe beter. Voor de veiligheid van de weduwe en de kinderen. Voor de veiligheid van Theo, die al die jaren geweten had waar Roland leefde, maar die kennis nooit had gedeeld met die wraakzuchtige criminelen. En misschien ook voor Oscars eigen veiligheid, nu hij het ware verhaal kende. Criminelen hadden het nooit zo op ware verhalen, zoveel had hij van al die maffiafilms wel opgestoken. “Iemand kwam naar me toe”, zei Oscar daarom. “Na de uitvaart. Hij zei dat de dienst ‘een vervalsing’ was. Zoiets. Dat Matthijs eigenlijk iemand anders was. Hij vroeg me om een tweede dienst te organiseren. Voor mensen die Roland hadden gekend, niet Matthijs.” “Wie was die persoon?” Oscar aarzelde. Met grote tegenzin zei hij: “Theo Dekker. Rolands broer.” Marloes schreef. “En je ging akkoord?” “Ik wilde eerst begrijpen wat er aan de hand was.” “Daarom heb je Korteweg gesproken.” “Ja.” “Wat vertelde hij?” “Dat Roland zijn beste vriend was. Dat Roland in 2003 opeens verdwenen was, zonder uitleg. Dat hij nooit afscheid heeft kunnen nemen.” “Meer niet?” Oscar keek haar aan. “Wat wil je dat ik zeg?” “De waarheid.” Marloes klapte haar notitieblok dicht. “Matthijs van Dalen is niet dood gegaan aan een hartaanval. Hij stierf aan een hypoglycemische shock. Een insuline-overdosis.” “Hij was diabeet”, begreep Oscar. “Type 2, ja. Behandeld met Metformine en een lage dosis insuline. Maar de avond voor zijn dood kreeg hij plotseling veel meer insuline dan voorgeschreven. Zijn bloedsuikerspiegel zakte zo ver dat zijn hart ermee stopte.” “Misschien een fout. Van hemzelf. Of van de apotheek.” “Dat dachten wij ook. Maar het forensisch team vond iets vreemds.” Ze haalde een foto uit haar tas, legde die op het bureau. Een insulinepen, close-up, digitaal genummerd. “Deze pen werd gevonden in zijn badkamer. De dosering was aangepast. Handmatig verhoogd van 10 naar 40 eenheden. Niet door een arts. Door iemand die wist hoe het werkte.” Oscar staarde naar de foto. “Wie?” “Dat proberen we uit te vinden. Judith en de kinderen waren niet in de buurt. Dus of Matthijs verhoogde de dosis zelf…” “Zelfdoding?” “Mogelijk. Of iemand anders heeft het gedaan.” Oscar dacht aan Theo. Behalve zijn vrouw waarschijnlijk de enige die in de gelegenheid was geweest om te zorgen dat Matthijs een overdosis insuline nam. “Je hebt mensen gesproken die hem hebben gekend. Misschien weet je iets waar we wat aan hebben. Ook al besef je het zelf niet eens”, zei Marloes en ze stond op. Ze gaf Oscar een visitekaartje, strak wit, alleen een naam en nummer. “Matthijs van Dalen – Roland Dekker – was een getuige in een grote zaak. Hij hielp ons een heroïnenetwerk oprollen. Mensen gingen de gevangenis in. Lange straffen. Die mensen zijn nu vrij. Misschien hebben zij wraak genomen. Of hun familieleden. We weten het niet. Maar we moeten alle opties onderzoeken.” “Dus bel me als je iets te binnen schiet of als je iets hoort. En Oscar…”, zei ze. “Wees voorzichtig met wie je vertrouwt. Mensen die in criminele netwerken zaten, blijven daar vaak mee verbonden. Ook al lijken ze nog zo vriendelijk.” Ze vertrok. De deur viel dicht. — Nog geen uur later trilde Oscars telefoon. Een bericht van Theo: Wat heb je verteld? Niets, appte Oscar terug. Hij dacht even na een type toen: Niets bijzonders. Dat klonk wat geloofwaardiger na een onderhoud van bijna een uur met de politie. Drie puntjes verschenen. Verdwenen. Verschenen weer. En toen een bericht: Heb je vandaag nog tijd voor me? Natuurlijk. Mijn kantoor. Vanavond, acht uur? Oké. Oscar legde zijn telefoon neer. Stond op, liep naar het raam. Buiten fietste een moeder voorbij, kind achterop, roze helm, te groot. Het kind lachte om iets, geluidloos door het glas. Insuline. Handmatig verhoogd. Van 10 naar 40 eenheden. Misschien had Theo het gedaan. Hij had toegang tot Rolands huis. Hij deed verdachte uitspraken, zoals dat Roland ‘zijn dood voelde aankomen’. Maar waarom? Waarom zou Theo Roland hebben willen doden? Acht uur. Het was donker buiten, het regende steeds harder, de wind sloeg water tegen de ruiten. Oscar zat aan zijn bureau, met een enkele lamp, die als een maan gelig licht op zijn bureau wierp. De rest van zijn werkkamer was in schaduwen gehuld. De bel ging, eerst langzaam en aarzelend, toen sneller. Oscar liet Theo binnen. Hij was helemaal nat, alsof hij had gelopen in plaats van de auto te nemen. Zijn regenjas doorweekt, haar plat tegen zijn schedel. Hij zag er ouder uit dan vrijdag. Zieker. Huid grauw onder het kunstlicht. “Sluit de deur”, zei Oscar. Theo deed het. Bleef staan, handen in zijn zakken. “Ga zitten.” Theo ging zitten. Water druppelde van zijn jas op de vloer, donkere vlekken op licht hout. Oscar zei niets. Wachtte. “De politie is bij je langs geweest”, begon Theo. “Ja. Hoe weet je dat?” “Wat wilden ze?” “Het schijnt dat Roland niet stierf aan een hartaanval. Dat het een insuline-overdosis was. Dat iemand zijn dosering verhoogde van 10 naar 40 eenheden. Dat zei de politie.” Theo knikte langzaam. “Ze denken dat het moord was”, zei Oscar. “Of zelfmoord. Ze weten het nog niet.” “En jij?” Theo keek op. “Wat denk jij?” Oscar leunde achterover. “Zelfdoding kan. Of anders is hij gedood door iemand die hem goed gekend. Zo goed dat hij wist van zijn diabetes. Zo goed dat hij makkelijk rond kon lopen in zijn huis. Die wist hoe een insulinepen werkte.” “Dat is geen antwoord.” “Dat is wat ik denk”, zei Oscar voorzichtig. Stilte. De regen hamerde tegen het raam. Theo keek Oscar recht aan. “Wat ik weet is dat Roland dood wilde. Al jaren. Niet dramatisch, niet plotseling. Maar hij was moe. Moe van niemand zijn. Moe van liegen tegen Judith, tegen de kinderen, tegen iedereen. Hij zei: ‘Elke dag word ik wakker en moet ik onthouden dat ik Matthijs ben, niet Roland. Elke dag vraag ik me af wanneer iemand me herkent, wanneer het voorbij is.'” “Hij had een nieuw leven”, zei Oscar. “Judith, de kinderen…” “Hij hield van ze. Voor zo ver dat mogelijk was. Maar hoe kun je van mensen houden als je ze nooit kunt vertellen wie je echt bent? En hoe kunnen zij van jou houden als zij je niet kennen?” Theo veegde over zijn gezicht. Regen? Tranen? Oscar kon het niet zien. Theo haalde iets uit zijn jaszak. Een usb-stick, klein, zwart, onopvallend. “Hierop staat alles. Foto’s van Roland. Mails. Alles wat er van hem bewaard is gebleven uit de tijd voordat hij moest onderduiken.” “Voor de herdenkingsdienst”, begreep Oscar. Anna Dekker woonde in een rijtjeshuis in Schiedam. Gebouwd in de jaren dertig, schatte Oscar, opgetrokken uit bakstenen die ooit rood moeten zijn geweest. De raamkozijnen moesten ooit wit zijn geweest. Alleen de afbladderende donkergroene verf op de voordeur was kleurecht gebleken. In de voortuin stonden wat Oscar dacht dat hortensia’s waren. Het zou nog maanden duren voordat ze in bloei stonden. Anna Dekker was begin vijftig, klein, haar grijze haar in een knot. Ogen die ooit donkerbruin waren geweest maar nu lichter leken, alsof ze waren verbleekt door tijd. Ze droeg een trui die te groot was, met de mouwen over haar handen. Oscar herkende haar als de vrouw op een van de foto’s op de USB-stick die Theo hem had gegeven. Haar we woonkamer was klein, met foto’s aan de muur – kinderen, kleinkinderen, een man. Geen foto van Roland. In de hoek stond een piano met een dichte klep stof te verzamelen. Oscar besloot maar meteen met de deur in huis te vallen. “Roland is vorige week overleden. Ik heb zijn uitvaartdienst georganiseerd. Dat wil zeggen…” Hij pauzeerde even. Wat kon hij wel en niet vertellen? Lang hoefde hij niet na te denken. Anna sloot haar ogen. Leunde achterover. “Ik wist het”, zei ze toen. “Niet hoe. Niet wanneer. Maar ik voelde het. Drie weken geleden werd ik wakker en wist ik dat er iets veranderd was. Ik dacht eerst dat het verbeelding was. Maar nu…” Ze opende haar ogen, keek Oscar aan. “Hoe stierf hij?” “Een hartaanval. Soort van. Het wordt nog onderzocht.” “U weet dat we waren verloofd waren?” “Dat heeft Theo niet gezegd? Ik had al een jurk gekocht. We hadden een locatie geboekt. Aan de Kralingse Plas, een paviljoen aan het water.” “Dat heeft hij niet verteld. Alleen dat ik bij u moest zijn voor informatie over Roland. Informatie die ik nodig heb…” Oscar moest wel zeggen waarom hij Anna had benaderd. “… informatie die ik nodig heb om een uitvaartdienst te organiseren die hem recht doet.” “Maar u zei net…” “Ja, ik heb al een dienst verzorgd. Maar dat was niet voor de man die u heeft gekend. Niet voor uw verloofde.” Anna keek hem niet begrijpend aan. “Roland heeft dertig jaar een andere identiteit gehad. Die man hebben we vorige week begraven. Nu willen we een dienst voor Roland. En voor iedereen die hem vroeger heeft gekend.” “Ik begreep het toen niet en ik begrijp het nu niet”, zei Anna. “We hadden geen ruzie gehad. Geen problemen. En toen was hij weg. Zijn moeder zei dat hij verhuisd was, werk ergens anders. Maar ze loog. Ik zag het aan haar ogen. Geen uitleg, geen afscheid. Alleen een briefje: ‘Het spijt me. Vergeet me.'” “Heeft u hem ooit gezocht?” “De eerste jaren wel. Ik belde Piet, Theo, oude vrienden, iedereen die Roland kende. Niemand wist iets. Of ze wilden het niet zeggen.” Ze ging weer zitten. “Uiteindelijk stopte ik. Ik ontmoette mijn man, kreeg kinderen. Bouwde een leven op.” “Ik geloof dat het te gevaarlijk was”, zei Oscar voorzichtig. “Gevaarlijk voor wie?” “Voor u. Voor iedereen die hij kende.” Anna keek naar de brief in haar handen. “Dus hij beschermde me door me te verlaten.” “Ja.” “Ik wilde niet beschermd worden. Ik wilde bij hem zijn. Wat hij ook deed, waar hij ook heen ging. Maar hij gaf me die keuze niet.” Oscar zei: “Misschien omdat hij wist dat u bij hem zou blijven. En dat dat u in gevaar zou brengen.” “Of misschien hield hij niet genoeg van me om het risico te nemen.” “Denkt u dat?” Anna zweeg lang. “Nee. Ik denk dat hij te veel van me hield.” Ze veegde met haar hand over haar ogen, snel. “Sorry. Dit is raar. Ik heb dertig jaar niet over hem gepraat.” “Wat voor iemand was hij?” vroeg Oscar. “Voor alles fout ging?” Anna glimlachte, dun, weemoedig. “Hij was grappig. Slim. Kon dingen uitleggen zodat je het begreep, ook als je het eerst niet snapte. Hij hield van schaakproblemen – niet het schaken zelf, maar puzzels. Hij zei dat het leven geen spelletje was waar je kon winnen, maar een probleem dat je moest oplossen.” “En wat was zijn oplossing?” “Verdwijnen, blijkbaar.” Haar glimlach trok weg. “Hij was ook bang. Altijd. Bang dat mensen hem niet goed genoeg vonden. Bang dat hij faalde. Bang dat hij mensen teleurstelde. En die angst maakte hem… roekeloos soms. Hij deed dingen om te bewijzen dat hij iets waard was. Stompzinnige dingen.” “Drugshandel?” Anna drukte haar lippen op elkaar. “Piet Korteweg zei zoiets.” “Dan weet u ook dat Roland niet de grote baas was. Hij was een pion. Hij deed wat anderen zeiden omdat hij te bang was om nee te zeggen. En toen het misging, toen de politie kwam, bood hij zich aan als zondebok. Voor Theo.” “Dat wist ik dat weer niet.” “Ja. Theo was de grote baas, niet Roland. Theo organiseerde alles, Theo verdiende het meest, Theo nam beslissingen. Roland deed de boekhouding. Wat klussen met Piet. Nuttig, maar vervangbaar. Hij dacht dat hij zijn broer redde toen hij bekende.” “Maar dat deed hij niet?” “Hij heeft er voor gezorgd dat Theo en Piet met lichte straffen wegkwamen, dat wel. Maar… ” ze zuchtte. “Ik heb me altijd afgevraagd wat voor prijs hij daarvoor moest betalen. Zat hij in de gevangenis toen hij overleed? “Nee”, zei Oscar. “Hij zat in een programma om getuigen te beschermen. Voor informanten die ernstig gevaar lopen.” “Dat deed hij zeker”, zei Anna. “Heeft hij toch nog iets van een leven kunnen opbouwen?” “Ik geloof het wel, zei Oscar. “Hij had een vrouw. Twee kinderen. Werk als boekhouder.” “Ik ben blij het te horen”, zei Anna. Oscar zweeg. Hij had het gevoel dat hij nog iets ter geruststelling moest toevoegen, maar wist niet wat te zeggen over een man die zich de laatste jaren zo in nevelen had gehuld. “Komt Theo?”, vroeg Anna. “Ik denk het. Hij heeft me gevraagd deze dienst te organiseren.” Anna schudde haar hoofd. “Dan ik niet. Ik kan hem niet zien. Niet nu, nooit meer.” “Denkt u er nog over na.” Oscar stond op. “Misschien nog één vraag. Als u Roland nu iets kon zeggen—” “Nee.” Anna onderbrak hem. “Ik wil hem niets zeggen. Hij maakte zijn keuzes. Ik maakte de mijne. We zijn allebei verder gegaan. Nu is hij dood en ik ben alleen en dat is hoe verhalen eindigen.” — Onderweg naar het station haalde Oscar zijn telefoon tevoorschijn om Martin Visser te bellen, de derde persoon die Theo hem had aangeraden te spreken. Hij hoorde te telefoon vier keer overgaan. Toen een stem, gehaast: “Ja?” “Meneer Visser? Mijn naam is Oscar de Bruin. Ik—” “Ik weet wie u bent. Theo zei dat u vragen zou stellen.” “Klopt. Ik zou graag—” “Ik praat niet. Niet over Roland, niet over toen. Bel me niet meer.” En dat was dat. Een los eindje in een verhaal vol losse eindjes. Het grootste losse eindje – een losse kabel ter grootte van de kabels waar de Erasmusbrug in Rotterdam aan was opgehangen, wat Oscar betreft – was nog steeds de onbeantwoorde vraag of Theo inderdaad Roland had vermoord, zoals de politie vermoedde. Misschien hadden ze ruzie gemaakt? Had Roland gedreigd bekend te maken dat Theo hem dertig jaar geleden had gedwongen naar de politie te stappen? In het criminele circuit zou die misstap van Theo nog wel niet verjaard zijn, en zouden ze hem wel weten te vinden als ze van Roland hoorden wat er destijds werkelijk was gebeurd. Maar aan de andere kant: waarom wilde Theo nu dan zo graag een dienst voor zijn broer? Hij leek oprecht verdrietig te zijn – verdrietiger dan een moordenaar ooit zou kunnen zijn, vond Oscar. En door de uitvaart liep Theo het risico extra aandacht op zichzelf te vestigen – niet iets wat je als gewezen drugsdealer of als kersverse moordenaar wilt. “Ik durf het wel aan”, had hij gezegd. “Ik ben al genoeg gestraft.” Wat betekende dat nou weer?! Oscar staarde naar de knipperende cursor bovenaan de blanco pagina op het scherm van zijn laptop. Diezelfde middag moest hij een toespraak klaar hebben voor de uitvaart van Roland. Maar het wilde niet vlotten. Hij kon het leven van Roland niet los zien van het leven van Matthijs, en het leven van Matthijs niet los zien van zijn geheimzinnige dood. Die dood overschaduwde daarmee ook het leven van Roland. Nu hij niet wist hoe en waarom Matthijs was omgekomen, kon hij ook weinig zinnigs zeggen over het leven van Roland. Had dat wilde leven dat Roland vroeger had geleid jaren later geleid tot zijn dood – was hij vermoord door zijn eigen broer of door iemand anders uit ‘het milieu’ waarin hij vroeger verkeerde? Of was dat leven van vroeger een afgesloten hoofdstuk toen hij eenmaal een burgermansbestaan was gaan leiden? En had hij genoeg gekregen van dat huisje-boompje-beestje, en had geen andere uitweg gezien dan zelfdoding, zoals Theo had gesuggereerd? Of misschien had Theo hem geholpen? Dat zou misschien weer een ander licht werpen op zijn vroegere leven. Dan zou Roland misschien niet zozeer de loopjongen zijn geweest van Theo, zoals Anna stellig had beweerd. Dan zou hij misschien eerder Theo’s gelijke zijn. Een broer die voor zijn broer was opgekomen, in de wetenschap dat hun bloedband zo sterk was dat Theo ook voor hem zou opkomen als de nood aan de man kwam – dat Theo zelfs bereid zou zijn om hem te helpen uit het leven te stappen, zo’n beetje de meest ondankbare taak die je kunt vragen van iemand die je na staat. Misschien. Oscar bladerde door de foto’s die hij van Piet had gekregen en scrolde door de foto’s op de USB-stick van Theo. Honderden beelden. Roland bij de haven, met containers op de achtergrond. Roland met een jonge Anna: knap en nog met donker haar. Roland met een klein kind, een jongetje. Geen naam, geen datum. Een los eindje, al weer een los eindje. Maar toen ging de telefoon. Marloes van Dijk. “Theo Dekker”, zei ze. “Hij heeft bekend dat hij de dosis insuline in Rolands insulinepen heeft verhoogd.” “En zei hij ook waarom?” “Zo ver zijn we niet gekomen….” “En heb je ook bewijs dat hij heeft gedaan wat hij zegt?” “Een bekentenis is bewijs genoeg.” Oscar moest hier over nadenken. “En hij zegt dat hij de gesprekken met jou hem hebben overtuigd dat hij moest bekennen. Dus dank daarvoor. Dit keer heb je ons wel geholpen.” “Ik hoop het”, zei Oscar. “Mag ik jou ook wat vragen?” “Voor wat hoort wat?” “Dat bedoel ik niet.” “Wat dan?” “De weduwe. Wat ga je haar vertellen?” “Ze heeft er recht op te weten wat er gebeurd is.” “Ook dat haar man opeens een broer bleek te hebben. Een broer over wie hij al die jaren heeft gezwegen. En dat die broer hem heeft vermoord?” “Tja. Ik kan me voorstellen dat ze dan het beeld dat ze van Matthijs heeft moet bijstellen. Maar ik denk dat ze dat toch wel wil weten.” “Dat vertellen we nooit. We willen niet dat dat uitlekt. We moeten de ware identiteit van Matthijs beschermen. Ook na zijn dood.” “Daar heb ik wel wat aan”, zei Oscar. “Voor mijn toespraak vanmiddag.” Hij ging aan het werk. — De dienst voor Roland was in de kleine kapel aan de achterkant van Uitvaartcentrum De Nieuwe Ooster, niet de grote zaal waar Matthijs’ dienst was geweest. Oscar kwam vroeg aan om de laatste hand te leggen aan de voorbereidingen. Er stonden twintig stoelen in een halve cirkel. Hij zette een foto van Roland die hij had laten uitvergroten op een schildersezel. Geen muziek. Roland hield niet van muziek, had Piet gezegd. Alleen stilte. Oscar zette een microfoon klaar, niet omdat de ruimte groot was, maar omdat zijn woorden gewicht moesten krijgen. Hij testte de microfoon, de lege kapel echode zijn ’testttt’ terug. Om twee uur arriveerde de eerste gast. Piet Korteweg in een donkerblauw pak dat te strak om de schouders zat. Hij was zo te zien speciaal voor de gelegenheid naar de kapper geweest, had zijn haar gekamd en zijn ruwe handen schoongeboend. “Meneer De Bruin.” “Piet. Dank je voor het komen.” Ze schudden handen. Piet keek naar de foto op de ezel. “Dat is hem”, zei Piet, met een dikke stem. “Dat is de Roland die ik kende.” Hij ging zitten op de voorste rij. Om kwart over twee verscheen de tweede gast. Anna Dekker, in een donkere jas, het haar los, zonder make-up en met ogen die al betraand waren. “Ik kon het niet”, zei ze tegen de toegesnelde Oscar. “Ik probeerde thuis te blijven maar ik kon het niet. Hij verdient het dat ik hier ben.” “Kom binnen. Ik denk niet dat Theo komt.” Anna ging zitten op de derde rij zonder Piet te groeten. Piet moet haar hebben gezien, maar gaf geen kik. Die twee hadden samen ongetwijfeld een eigen geschiedenis, waar Oscar het fijne niet van wist. Nog meer losse eindjes. . Oscar wachtte nog even om zeker te zijn dat er verder niemand kwam. Toen liep hij nar voren, nam plaats achter de microfoon en pakte het opgevouwen A4’tje met zijn speech uit zijn binnenzak. Hij vouwde het papier open, schraapte zijn keel en begon: “We zijn hier voor Roland Dekker”, zei hij. Zijn stem echode zacht door de kleine ruimte. Toen ging de deur open. Judith van Dalen in dezelfde zwarte jurk als tijdens de dienst voor Matthijs. Kennelijk haar uitvaartkostuum, dacht Oscar. Oscar gunde zich enkele seconden om na te denken – had de politie Judith dan toch verteld dat Matthijs vroeger Roland was geweest? In elk geval betekende de komst van Judith dat zij wist dat Matthijs vroeger Roland was geweest, en kon hij daar aan refereren. Moest hij aan refereren, wilde hij de overledene recht doen. De toespraak waar hij zo hard aan had gewerkt was incompleet. Hij moest wat improviseren over Matthijs. “Roland”, zei hij daarom nadrukkelijk. “Die sommigen kennen als Matthijs. Een man die twee levens heeft geleid. Allebei incompleet, allebei te kort.” Weer pauzeerde hij even. “Vandaag staan we stil bij dat eerste leven. Een rijk leven, hoe kort het ook heeft geduurd.” Oscar keek even naar Anna. “Een leven vol liefde.” Toen wendde hij zijn blik naar Piet. “Vol vriendschap.” “Wat kun je meer van het leven verlangen? Het was een goed leven”, besloot Oscar. “Maar de beelden van toen zeggen meer dan mijn woorden.” Hij zette de overheadprojector aan, die de foto’s die hij van Theo en Piet had gekregen projecteerde. “Dit was wie hij toen was. Dit is de man van wie wij vandaag afscheid nemen. Eindelijk, na al die jaren.” Oscar stapte van de katheder af en nodigde met een gebaar de gasten uit om naar de koffiekamer te komen. Anna, Piet en Judith volgden hem. Hij hoorde hoe Judith zich voorstelde aan Piet. “Ik ben de vrouw Roland, dank voor uw komst.” En in de koffiekamer zag hij hoe Judith op Anna afliep. “Ik ben Anna Dekker”, zei Anna. “Roland en ik…” “Ik weet het” zei Judith. “Ik heb veel over u gehoord.” “Het spijt me”, zei Anna. “Ik wist niet dat u zou komen. Ik wilde niet..” “Helemaal niet”, zei Judith. “U heeft het volste recht hier te zijn. Misschien wel meer dan ik. ” Piet vertrok al snel en Anna volgde niet veel later, zodat Oscar en Judith als enigen overbleven. “Ik had u hier niet verwacht”, zei Oscar. “Natuurlijk moest ik komen. Hij was toch mijn man.” “Ik bedoelde…” “U dacht dat ik niet wist dat Matthijs vroeger Roland was?”, vroeg ze spottend. “Nou…”, begon Oscar. En aan hij begreep opeens dat Matthijs alles had opgebiecht. Natuurlijk had hij dat gedaan. Wie kan er nu jaar in, jaar uit een toneelstuk opvoeren tegenover zijn vrouw? Matthijs had gedaan wat elk man die van zijn vrouw hield zou hebben gedaan: hij had haar in vertrouwen genomen. Hij had haar verteld over zijn criminele verleden, over Piet, over Anna, over Theo, over het getuigenbeschermingsprogramma waar de politie hem had ondergebracht. En zij had gedaan wat elke vrouw die van haar man hield zou hebben gedaan: ze had zich dat vertrouwen waardig getoond. Ze had al die tijd voor de buitenwereld gedaan alsof ze geloofde dat hij Matthijs was, en met geen woord over Roland gerept. Zelfs vorige week nog, tijdens de eerste uitvaartdienst. “Natuurlijk heeft hij mij alles verteld”, zei Judith, alsof ze zijn gedachten kon lezen. “Hoe kun je anders dertig jaar samenwonen? Je houdt het toch alleen uit je elkaar door en door kent?”
















